Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ander zijn, dan God x) of de Schrift. De geciteerde woorden zijn genomen uit Jes. 49 : 8, geheel naar de LXX. Het heeft in het algemeen gesproken niet zoo veel zin om het verband na te gaan, waarin de aangehaalde woorden in het oorspronkelijk voorkomen, omdat de meeste citaten gekozen worden alleen om de woorden, die het citaat zelf bevat. Maar het is hier misschien van beteekenis er op te wijzen, dat Jes. 49 een profetie van heil geeft, dat door den Knecht des Heeren zal worden gewerkt en dat niet alleen voor Israël, maar ook voor de heidenen is. Tccq duidt aan, dat het citaat een grond voor iets opgeeft. De vraag is echter, waarvan en op welke wijze. Het meest voor de hand liggende is te denken, dat Paulus zijn vermaning kracht wil bij zetten door een citaat. En de inhoud van het citaat is wel geschikt om het fin siq xsvóv toe te lichten. De is, dat God toen de prediking kwam,

ook heidenen heeft beweldadigd; dat is inderdaad een evangelie. Toch moet er nog wel iets meer worden gezegd. Bewijzende citaten, zelfs citaten in het algemeen, zijn betrekkelijk schaarsch in de brieven aan de Korinthiërs. Dat is ook wel te begrijpen, omdat Korinthe een heidenchristelijke gemeente was. Nu valt het op, dat Jezus blijkens Luk. 4 : 19 een plaats uit Jesaja aanhaalt, die een parallel van de onze kan heeten. Ook Hand. 13 : 34 in de rede in de synagoge te Antiochië in Pisidië vinden wij een citaat uit de profetieën, die Jesaja gaf in zake den Knecht des Heeren. Bovendien past Paulus de hier aangehaalde voorzegging nog met een enkel woord toe. Wij mogen daarom wel aannemen, dat niet alleen in dé§ao9-cci. maar ook in het citaat een herinnering ligt aan de eerste prediking te Korinthe en dat Paulus in zijn zendingsprediking plaatsen als de onze gebruikt om aan te toonen, dat de zaligheid reeds vroeger aan de heidenen in uitzicht was gesteld. Bovenal ook om aan te toonen, dat zij Goddelijke genade is, want juist dat komt in het citaat bijzonder uit. De herinnering moet dan dienen om de vermaning kracht bij te zetten en de Korinthiërs te brengen tot ernstig zelfonderzoek. De xaiQÖg dexróg is de door God aanvaarde, dat is vastgestelde en daarom voor de menschen gunstige tijd. Als die tijd is aangebroken, komt God. Zoo is het ook te Korinthe geweest. De aozriQiaq

is de dag, waarop de redding komt, in dit verband de dag, waarop God redding schenkt. In ons vers ziet aatztjQia op de eeuwige zaligheid, want zij is de redding van de zonde, vgl. 5 : 21. Op den dag der zaligheid heeft God geholpen A posteriori mag men ook zeggen, de tijd is gunstig, omdat God hoort, de dag brengt zaligheid, omdat God helpt door

1) Misschien is het Xéyti yag ontstaan uit het ovvcog Xéyti xvgiog, dat de LXX aan de geciteerde woorden laat voorafgaan. In ieder geval blijkt ook daaruit, dat God subject is.

Sluiten