is toegevoegd aan uw favorieten.

De tweede brief van den apostel Paulus aan de kerk te Korinthe

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men weer zal zeggen: in een brief durft hij. Daarom moet dit eerst uit den weg. Wat hij tegen het verwijt der Korinthiërs op heeft te merken, leert het vervolg1). Ook deze moeilijkheid, die nog niet was weggenomen, moet verdwijnen. Zie voorts bij vs 2.

2. Jéofiai óè neemt naQaxa^tü op, wat krachtiger aan de eene zijde, omdat het dieper gaat, maar ook weer bescheidener aan de andere zijde; en voorts heeft het nu bij zich, wat Paulus vraagt. Wij moeten óio/iai niet verstaan van bidden tot God (Bachmann), dat gaat in tegen het verband. Paulus richt zich tot de Korinthiërs en vraagt van hen, dat zij iets niet noodig zullen maken, vgl. Gal. 4 : 12. Dat is ró kccqojv &aqq^aai 2). Paulus heeft nog een pijl op den boog. Hij kan ook, als het noodig is, kras optreden, wanneer hij aanwezig is. Zoover is het nog niet gekomen 3). Hier volgt uit, dat Paulus bij het tusschenbezoek meer teleurgesteld, ontmoedigd dan toornig Korinthe heeft verlaten en daarna tot de slotsom is gekomen, dat een scherpe brief noodzakelijk was. Maar nu staat het aan de Korinthiërs om te zorgen, dat Paulus bij zijn aanstaande bezoek niet kras behoeft te handelen, vgl. 13:2 vlg. De goede verhouding moet blijven, zij moeten op grond daarvan naar Paulus hooren. Wanneer wij dit vergelijken met 2 : 1 vlg., waar Paulus zegt niet weder tv ).vxri te willen komen, maar eerst de zaak in orde te willen hebben, verstaan wij nog beter, wat bedoeld is. Paulus is op dit oogenblik niet bang, dat hij tot S-aQQïjoai zal moeten overgaan; zijn vraag is, laat het niet zóó worden, dat het er van zou moeten komen, wanneer ik eenmaal bij u ben. Het is in den trant van 1 Kor. 4 : 21. Paulus wil kwaad voorkomen. De apostel doet zijn verzoek xfi jienoiS-rjOsi, in het d. i. het bepaalde vertrouwen 4). Dit rij

1) Wij spreken hier van een verwijt der Korinthiërs. Het is merkwaardig, dat bij volgende verwijten, die Paulus vermeldt, vs 2, 7, 10, gesproken wordt van menschen buiten de gemeente, die ze uitten. Dat gebeurt hier niet. Daarom denken we in vs 1 aan een verwijt, dat door de Korinthiërs, niet door de Judaïsten was geuit. Zie verder over deze kwestie bij vs 2.

2) Over den nominativus nagojv, zie § 310, 1.

3) Windisch acht het mogelijk, dat in ftagerjoai een soort tegenstelling ligt met jtgavTTis, ijzieixEia, die ook zouden moeten worden genomen van de wijze, waarop Paulus vermaant. Wij achten dat onjuist, omdat we in Ho-oqllv geen tegenstelling vinden met de woorden van vs 1. Men zie het gebruik van ftaggeïv 5 : 6 en 8. De tegenstelling van 1 Thess. 2 : 7, waarop Windisch wijst, draagt een geheel ander karakter. We zijn het met Bachmann eens, dat Paulus door het lidwoord te gebruiken (zo lïuoorjoaL) het woord van den tegenstander opneemt en verklaart, dat het zoover zou kunnen komen.

4) Van jzenoi&rioig is ook 1 : 15 sprake. Wij zien hierin een aanduiding van het herstelde vertrouwen. In dat vertrouwen kan de apostel de Korinthiërs iets verzoeken, maar zich ook keeren tegen