Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Xqiotov eivai zonder er wat van te zeggen van die ééne groep laten gelden? In i Kor. i is de Christusgroep een der wel naast elkaar staande, maar noch samen noch voor een deel tegenover Paulus staande groepen, hier spreekt Paulus van zijn tegenstanders. Veel beter is het de algemeen klinkende en op zichzelf staande uitdrukking uit het verband te verklaren en er daarbij mede te rekenen, dat Xqiotov eivai ook i Kor. 3 : 23; 15 : 23; Gal. 3 : 29 voorkomt en dan niet van een partij of groep, maar om aan te duiden een voorrecht van alle kinderen Gods. De geloovigen, de gansche gemeente is het eigendom van Christus. Zie verder op 1 Kor. 3 : 23. Dan op Rom. 8 :9; 1 Kor. 15 :23; Gal. 3 :29 J). Nu komt er echter door xéjtoi&ev tuvroj een ander element bij. Paulus heeft in onzen brief gesproken van de zekerheid van den Christen, maar dat is een zekerheid, die gewerkt wordt door God en die steunt op de beloften Gods. Zoo spreekt 5 : 1 van een oïiSafisv, maar het object daarvan is oixoöofjLrp ix fïeov ë%ofiev. In gelijke richting beweegt zich het O-aQQSlv van 5 : 6 en 8. Van de jtKto/fl-jjtrig, welke de apostel blijkens 1 : 15 koestert, deelt hij uitdrukkelijk mede, dat daarbij geen èXa<fqLa of xava occQxa {iovZeveo&ai in het spel is. In 3 : 4 verklaart hij jtenold-rjoiv te bezitten óia zov Xqiotov. Niet anders staat het met de nexoi&riOiq van 8 : 22, gelijk het verband (men lette b.v. op doft* Xqiotov) leert. En ook 10 : 2 kan blijkens het verband, vgl. vs 1, niet van nejtot&rjois als een steunen op zichzelf gesproken zijn. In 1 : 9 wijst Paulus het neizoi&èvai è<p iavToiq uitdrukkelijk af. Vgl. ook Luk. 18 : 9. Voorts Gal. 5 : 10; Fil. 2 : 24; 3:3, 4; 2 Thess. 3 : 4. Uit deze plaatsen blijkt voldoende, dat wij bij nénoi&ev èavto» (op zichzelf) Xqiotov sivai aan een ondeugd hebben te denken. Er zijn menschen (dat sluit et ziq in), die in eigen kracht vertrouwen het eigendom van Christus te zijn. Wij behoeven niet aan te nemen, dat zij dat van zichzelf vertrouwden en het anderen ontzegden. Evenmin is hier iets, dat op een

1) Windisch, die ook niet weten wil van verband tusschen 2 Kor. 10 : 7 en 1 Kor. 1 : 12, stelt voor onze plaats vier mogelijkheden: 1. de door ons gegeven exegese, die ook volgens hem het meest overeenkomt met het Paulinisch spraakgebruik, maar niet verklaart, hoe van een bepaalde formule kan worden gesproken; 2. een Jezus persoonlijk gekend hebben; 3. het apostolaat; 4. een gnostiek-mystieke band aan Christus. Hij pleit voor 3, eventueel verbonden met 2. O. i. is daar tegen, dat Paulus als hij apostelen bedoelt, ook apostelen schrijft, vgl. 11 : 13. Ook berust het apostolaat niet op vertrouwen, maar op roeping. En eindelijk zou Paulus dan de tegenstanders als apostelen erkennen, hetgeen met een aanvoeren, dat néjtoi&ev onrechtmatig vertrouwen kan aanduiden, niet wordt weerlegd. Gelijk heeft Windisch, als hij opmerkt, dat het verband verbiedt aan de twaalf te denken.

VIII. 23

Sluiten