is toegevoegd aan uw favorieten.

De tweede brief van den apostel Paulus aan de kerk te Korinthe

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat doet Paulus ook in het vervolg aan de Judaïsten niet. Hij is mild, laat er zich voor 't minst niet over uit. Al wat de apostel vraagt, is, dat men er rekening mede zal houden, dat ook Paulus en zijn medewerkers van Christus zijn. De bedoeling is duidelijk. Acht men Paulus het eigendom van Christus, dan zal men hem het apostolaat niet ontzeggen en naar hem hooren, in elk geval zijn bedoelingen niet langer verdacht maken. Daarom is het den apostel te doen. Houden de Judaïsten op met hun werken tegen Paulus, dan komt de kerk van Korinthe weer onder des apostels invloed. Zoo geeft ons Paulus hier een model van polemiek. Hij laat de tegenstanders in hun waarde, zegt tot de door hen verleiden slechts zooveel, als noodzakelijk is om deze laatsten weer te doen hooren naar de apostolische prediking en daarnaar alleen. Merkwaardig is, dat Paulus zich hier niet beroept op zijn apostolisch gezag, doch alleen op zijn Christen zijn. Dat is de grondslag van alles en juist die grondslag werd niet in het oog gehouden en de facto door verdachtmaking weggeslagen. Wanneer men vraagt, hoe Paulus aan het begin van het vers pAéitere kan schrijven, terwijl hij het heeft over menschen buiten de gemeente, moet worden geantwoord, dat dit pXéneTe, tot de Korinthiërs gericht, een soort inleiding is, die bij al het volgende moet worden genomen en voorts, dat al dadelijk in den zin si' vig xrè indirect ook een vermaning ligt, iets wat de Korinthiërs hadden te bedenken en misschien te zeggen tot de Judaïsten.

8. Sprak vs 7 van het Christen zijn van Paulus, dat niet werd ontkend, doch waarmee niet werd gerekend, vs 8 handelt over de é§ovcia, de bevoegdheid, dat is practisch het ambt van den apostel, dat wel ontkend werd. Uit deze capita blijkt, al zegt Paulus het misschien niet met zoovele woorden, dat Paulus' itsovoia werd geloochend, omdat hij zijn ambt niet zóó bediende, als de Judaïsten het wenschten, vgl. 11 : 22 vlg. Het werkwoord scav/atfö-ai speelt in 10—13 een groote rol. Wij hebben bij 5 : 12 uiteengezet, dat xavx^oS-ai beteekent: roemend spreken tot eer van God. Paulus bedoelt er niet mede roemen ten bate van zichzelf. Nu doet zich echter in deze capita de moeilijkheid voor, dat Paulus te doen heeft met tegenstanders, die in eigen waardigheid roemden, vgl. reeds vs 7, en dat Paulus zich soms op hun standpunt plaatst, b.v. 12 : 1. Wij moeten daarom elke maal, dat xavxac&ai voorkomt, ons rekenschap geven van de bedoeling, waarmede de apostel het bezigt. Uit dit verschillend gebruik van xavxüo&at. blijkt tevens, dat dit werkwoord voor cap. 10—13 van centrale beteekenis is. Reeds hier kunnen wij zeggen, dat Paulus tegenover het onjuiste roemen van de Judaïsten tweeërlei in het licht stelt: 1. dat de apostel handelt op grond van de hem door God geschonken bevoegdheid; 2. dat ook als hij zich op het standpunt van de Judaïsten stelt en hij roemt xava oüqxcc,