is toegevoegd aan uw favorieten.

De tweede brief van den apostel Paulus aan de kerk te Korinthe

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij meer stof tot roemen heeft dan zij. Wij leiden dit al dadelijk af uit i^ovöia, bevoegdheid. De è^ovaia wordt hier voorgesteld als een gave Gods, ijq (attractie) sdwxev o xvqios,. De bevoegdheid, het ambtelijke optreden van Paulus, berust niet op iets in hemzelf, hij is xi-rizoq ajzóazoXoq, Rom. 1 : I, etc.; hij is apostel ovx ait' av&Qu>iicjv ovót ól av9-Q<i)iiov alJia ótcc 'ItjGov Xqiozov, en juist daarom draagt zijn è^ovoia een ambtelijk karakter, zij is verleend door den xvQtog, den Verheerlijkte, om iets in Zijn naam te doen 1). Vandaar dat Paulus over zijn i^ovoia kan roemen en, als het noodig is, ook roemt. Nu begint de zin met èav ze yaQ. 'Eav spreekt van de algemeene mogelijkheid. Paulus kan het doen en heeft het wellicht gedaan, b.v. 1 Kor. 9. Te yaQ verbindt dezen zin zoowel concludeerend als redegevend met den vorigen 2). Men kon van vs 7 beweren, dat Paulus er meer in zeide, dan hij mocht zeggen. Een Judaïst kon vragen, op grond van welke è^ovoia eischt ge van mij te bedenken, dat gij ook van Christus zijt. Dat is een roemen boven de maat. Neen, zegt Paulus, het moge roemen zijn, het is een roemen, waartoe ik gerechtigd ben krachtens de mij geschonken è$ovóicc. Men kan omschrijven, want mocht men mij beschuldigen, ik zal in mijn roemen niet beschaamd worden, immers mij is door Christus zelf è^ovaia geschonken. Het staat dus zóó, dat Paulus zijn Christen zijn bewijst met zijn niet beschaamd worden in zijn apostolische werkzaamheid. Daartegen pleit niet, dat aioxwO-tióo/uai in het futurum staat, dit futurum spreekt evenals xa\>-/rtO(»fiai van de algemeene mogelijkheid. Paulus is overtuigd, dat de mogelijkheid, waar noodig, werkelijkheid wordt. God bewaart hem al dadelijk voor het vs 9 gezegde. Usqlooozsqóv tl, meer dan onder deze omstandigheden verwacht kan worden 3). Men kon te Korinthe niet veel van Paulus hebben en de Judaïsten konden het zeker

x) Wij kunnen met Bachmann medegaan, wanneer hij hier in verband met olxoSopri, en we voegen er aan toe met het oog op het vervolg, bij êgovoia bepaald denkt aan bevoegdheid ten aanzien van een bestaande gemeente.

2) Zie voor rè yag Greydanus op Rom. 7 : 7.

3) Bachmann verklaart: meer dan ik in vs 7 deed, en komt er zoo toe ook vs 7 van het ambtelijke te verstaan. Daartegen geldt: a. dat negiooóxegóv xi niet is nog meer, nog verder, maar iets meer, wat verder, waarbij men te bedenken heeft, dat de comparativus in het N. T. veel van zijn eigenlijke comparativus beteekenis heeft verloren; b. dat vs 7 van geen xavxao&ai sprake is, maar van wat een ander moet meenen. B. heeft gelijk, dat in cap. 10—13 het aangematigde en het ware ambt tegenover elkander worden gesteld. Maar wij kunnen in Xgiozov eïvai geen aanduiding van eenig ambt hooren en wijzen er nogmaals op, dat vs 7 daarom niet van het ambt kan gelden, omdat Paulus dan het Xqiotov elvai van de tegenstanders moest ontkennen.