Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer aan, dan dat de voorwaarde als werkelijk wordt gedacht en spreekt hij zich als voorwaardelijke zin niet uit over de vraag, of zijn inhoud in de werkelijkheid bestaat, maar nu voorafgaat avéxsoD-s x<bv atpQÓvujv, blijkt, dat hetgeen in den voorwaardelijken zin van vs 20 staat, werkelijkheid is. Zoo is het gerechtvaardigd vs 20 anders op te vatten dan vs 4. Eï tiq v/iüq xaxaó'ovXoi xxè vermeldt bestaande feiten. Het is niet onmogelijk, dat Paulus de constructie van een voorwaardelijken zin gekozen heeft om bij vs 4 aan te sluiten; het kan ook zijn, dat het gedaan is, omdat de apostel verschillende gevallen naast elkaar heeft te noemen (xaxaóovXol, xaxeo&iei etc.), het herhaalde ft xiq heeft dan bijna de beteekenis van hetzij-hetzij. In ieder geval blijkt duidelijk, dat het betoog veel verder is dan bij vs 4. Toen werd louter onderstellenderwijs gesproken om den toestand te teekenen, thans kan in krasse woorden het doen der Judaïsten worden beschreven, zonder dat Paulus meer behoeft te vreezen, dat men zijn beschrijving onjuist zal vinden. De Korinthiërs moeten zich, als zij in hun hart Paulus gelijk geven, voor den geest brengen, dat Paulus in zijn cctfQoavvtj minder van hen vraagt, dan zij de facto aan de Judaïsten reeds hadden toegestaan. Sterk zijn de woorden, waarin Paulus dat teekent. De dwaalleeraars hebben zeer veel gevraagd en zeer veel gedaan gekregen. Kazaóov/.ovv, tot slaven maken, knechten1); xaxsoO-isiv, opeten, Mark. 12 : 40, doet denken aan algeheele berooving; Aafifiaveiv, het beslag leggen op den geheelen persoon, geestelijke menschenroof, 12 : 16; anaiQsaO-ui, zich verheffen, het zich stellen boven anderen, hoogmoedig zijn, verraadt de geesteshouding der Judaïsten; eis, jiqógumov óèqslv, de grootste smaad, dien men iemand kan aandoen, hier wel figuurlijk bedoeld van het in 't hart ten zeerste minachten, vgl. 1 Tim. 3:3; Fil. 1 : 7, waar echter wel in eigenlijken zin zal zijn gesproken. Natuurlijk hebben de Korinthiërs zelf niet gezien, dat zij zoo behandeld werden. Paulus wil met zijn krasse woorden ontdekkend werken en hij kan, na wat voorafging, thans verwachten, dat men hem gelijk zal geven; dat men zien zal, hoe Paulus zelf heel anders is opgetreden, vgl. 1 : 24; 11 : 2 vlg.

21. Vs 21 zegt met een nieuw xaxu weer iets over de wijze van Paulus' spreken. De apostel spreekt, n.1. in wat hij zoo juist schreef, naar oneer. In het voorafgaande is de uitdrukking met xare't steeds op het subject betrokken. Daarom verdient het aanbeveling xaxa axt/uiav te verklaren als naar oneer

x) Volgens Plummer wordt zich tot slaven maken meestal door het medium uitgedrukt. Toch moet dat ook hier de beteekenis zijn en kan niet worden gedacht aan een slaaf maken van de wet, Gal. 2 : 4.

Sluiten