Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beiden, hij kan ook denken aan zijn niet roemen als de Judaïsten. In ons verband past alleen het eerste, immers de apostel spreekt xara aziftiav en gaat roemen. Paulus keurt hier de zwakheid af, waarin hij, als hij gewoon spreekt, een behagen heeft. Ook het plaatsen van het pronomen iifieie, dat op een tegenstelling duidt, wijst in deze richting. Nu is het heel merkwaardig, dat in vs 21 Paulus en de Korinthiërs elkander ontmoeten. Paulus spreekt van zijn oneer en van zijn zwakheid en de Korinthiërs, althans de Judaïsten. meenden ook, dat Paulus niet eervol handelde en zwak was, 10 : 2, 10. Dat wil zeggen, als Paulus zich a(pQatv houdt, is hij het met de tegenstanders eens en keurt hij zijn zwakheid af. Dat toont misschien meer dan iets anders het scherp ironische van Paulus' betoog. De Korinthiërs krijgen gelijk, wanneer Paulus wordt, wat hij niet wil zijn. Daardoor komt nu het volgende met heel bijzondere kleur voor ons te staan. Als Paulus zich dwaas houdende, maar niettemin in zijn dwaasheid de waarheid sprekend, hoog boven de Judaïsten uitsteekt, hoever steekt dan de ware Paulus boven hen uit! In het volgende immers verlaat Paulus het standpunt der ware aofreveia, hij spreekt èv cupQoovvii, dat is, hij stelt zich op het te Korinthe sterk geachte standpunt. En dan kan hij naar waarheid verklaren, roemend als de Judaïsten, maar niet siq va a/j.stQa, 10 : 12, op ieder stuk, waarop iemand (weer het onbepaalde xt§!) moed toont, toon ik het ook. Zoo is het zelfs in zijn ao&evficc geweest, als het er op aankomt, staat hij in moed bij niemand achter. Anders gezegd, in wat men te Korinthe zwakheid acht en wat Paulus, zij het op andere wijze, ook zwakheid noemt, 12 : 9, 10, is hij moedig, meer dan een ander, want Paulus waagt het zichzelf naar den achtergrond te schuiven om de gemeente te winnen, en dat dit moed is, zal hij thans, niet in zwakheid, maar èv a,<pQoovvri sprekend, ook zeggen, vgl. 10 : 2, (AoyiCofiai ligt in dezelfde lijn als èv atpQoovvri). Zoo weerlegt hij de Korinthiërs, de Judaïsten, door zich op hun standpunt te plaatsen 1).

22. In vs 22 begint een lange opsomming, waarbij Paulus aanvankelijk doet uitkomen, dat hij niet minder is dan de Judaïsten, doch al heel spoedig laat zien, dat hij hen verre

*) Windisch geeft bij vs 21 b een beschouwing over den vorm der volgende verzen. Hij denkt aan een peristasencatalogus, d.i. aan een opsomming van omstandigheden en geeft dan een schema, in aansluiting aan Joh. Weiss, Beitr. z. Paulin. Rhetorik, Göttingen, 1897, bl. 24 vlg. Men kan echter niet zeggen, dat het stuk naar een bepaald beginsel is opgebouwd. Het verschijnsel van den peristasencatalogus is behandeld door A. Fridrichsen, die overeenkomst vond tusschen Paulus' roemtaal en die van de oude vorsten, bepaald met het Monumentum Anciranum. Zie Theol. Lit. Zeit., 57, 20, 24 Sept. 1932 en Theol. Rundschau, 8, 1, 1936.

Sluiten