Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ingelicht door het verhaal, dat ons Hand. 14 : 19 geeft over het gebeurde te Lystra. Ook daar zal aan een wederrechtelijke daad, nu van de Joden, moeten worden gedacht1). Van schipbreuken vallende vóór het tijdperk, waarop Paulus 2 Kor. schreef, weten wij weer niets 2). Doordat men in de oudheid gewoonlijk in den winter geen groote zeereizen maakte en doorgaans langs de kusten voer, is het te begrijpen, dat iemand driemaal, en later minstens nog éénmaal, uit een schipbreuk kan worden gered. HvOóq is de diepte der zee, doch zal hier moeten worden genomen in den zin van wat wij noemen de open zee, waar de zee diep is. Paulus is dus een keer afgedreven van de kust en heeft toen, wat destijds ongewoon was, een etmaal ver van de kust moeten doorbrengen. Dat moet wel gedurende een storm of door een ongeval aan het schip zijn geschied, zoo kan Paulus er thans van spreken bij de op reis ondervonden zwarigheden. Men herinnere zich hier het verhaal, dat Lukas geeft, Hand. 27. Opvallend is zoowel het gebruik van xoieiv voor doorbrengen, Hand. 15 : 33 etc. als het perfectum tusschen de aoristi; Paulus maakt het weer door 3). Van het feit zelf weten wij niets, dat 1 : 8 op dit gebeuren ziet, is weinig waarschijnlijk, omdat het daar verhaalde niet op zee, maar in Azië wordt gesteld.

26. Sprak reeds het laatste gedeelte van vs 25 niet meer van straffen, die, onrechtmatig in ieder opzicht, waren opgelegd en voltrokken, doch van moeilijkheden gedurende het reizen ondervonden, vs 26 gaat in die richting verder. Thans worden echter niet bepaalde feiten genoemd, maar moeilijkheden, zooals destijds elke reiziger ze doormaakte. Misschien ontbreken daarom praeposities. 'Oóouioqicii zijn tochten in het algemeen. De rivieren brachten gevaar, wanneer zij over moesten worden gestoken op plaatsen, waar bruggen of vaartuigen ontbraken en één misstap bij het doorwaden in de diepte kon doen verdwijnen of de krachtige stroom kon mee-

*) Over al de rechtskrenkingen en wat daarmede samenhangt, zie men Th. Mommsen, Die Rechtsverhaltnisse des Apostels Paulus, Z. N. T. W., 2, 1901, bl. 81 vlg.; wat de geeseling betreft, wijst Mommsen op de lex Julia de vi publica, die ieder veroordeelde, die een Romeinsch burger liet geeselen of boeien. N. G. Veldhoen, Het proces van den apostel Paulus, Alphen a. d. R., 1924, bi. 32 meent, dat de leges Porciae en de lex Sempronia alleen bedoelden de aan de doodstraf voorafgaande geeseling en dat afzonderlijke geeseling alleen onder de lex Julia valt. Dat is mogelijk, maakt zakelijk weinig verschil.

2) Schlatter wijst er op, dat Paulus volgens Gal. 2:1 14 jaren in Syrië heeft gewerkt en dat er een druk scheepvaartverkeer was tusschen Antiochië en Tarsus in Cilicië, d. i. ook alle gelegenheid om schipbreuk te lijden.

3) Zie J. H. Moulton, Gramm. N. T. Greek, 3e dr., Edinburg, 1908, bl. 144 vlg.

Sluiten