is toegevoegd aan uw favorieten.

De tweede brief van den apostel Paulus aan de kerk te Korinthe

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is het te zeggen, hoe Damaskus, een stad in de Romeinsche provincie Syrië, in dezen tijd onder de heerschappij stond van Aretas IV 1), den koning der Nabateesche Arabieren. Er zijn munten van Damaskus gevonden met den beeldenaar van keizer Tiberius, er zijn geen munten met den beeldenaar van Caligula en Claudius voor den dag gekomen, wel weer met dien van Nero. Dat onderstelt, dat Damaskus onder de regeering van Caligula uit de macht der Romeinen is geraakt. Moeilijk valt aan te nemen, dat Aretas van Nabatea het met geweld aan de Romeinen ontrukte, of het zou moeten zijn geweest in de dagen na den dood van Tiberius, toen Vitellius, de Romeinsche landvoogd over Syrië, naar Rome vertrok 2). Met meer recht kunnen wij vermoeden, dat Caligula, die niet gunstig gezind was jegens Herodes Antipas, de stad schonk aan diens vijand Aretas van Nabatea, want Caligula heeft ook de tetrarchie van Philippus en Lysanias aan Agrippa geschonken. Tot nu toe is 2 Kor. n : 32 het eenige positieve bewijs, dat Aretas Damaskus heeft bezeten 3). Aretas IV had

*) Over den vorm van den naam 'Agéras, met spiritus asper, zie G. A. Deissmann, Bible Studies, 2e dr., Edinburg, 1909, bl. 183, noot 5 (N. B., bl. 11). Volgens Strack-Billerbeck luidt de naam op inscripties rUTTTl. Aretas IV regeerde van 9 v. Chr. tot 40 n. Chr.

2) Zoo b.v. G. B. Winer, Biblisches Realwörterbuch, s. v. Aretas.

3) Naar A. Robertson, in Hastings, Dictionary of the Bible, I, Edinburg, 1910, Kol. 145 (s. v. Aretas). Een zwak punt in de redeneering blijft het ontbreken van munten uit de dagen van Caligula en Claudius; dat kan immers puur toevallig zijn. Een andere voorstelling geeft Th. Mommsen, Röm. Gesch., 5, 9e dr., Berlijn, 1921, bl. 476, noot 3. Hij acht het waarschijnlijk, dat Damaskus, dat zich rL8o v. Chr. vrijwillig aan den Nabateïschen koning onderwierp, onder deze koningen bleef, zoolang hun heerschappij duurde. Dat er munten met den beeldenaar van Romeinsche keizers zijn, zegt van zelf, dat Damaskus aan hen onderworpen was, maar zegt niet, dat het onafhankelijk was van de Romeinsche leenmannen. Dat Damaskus bij Nabatea hoorde, volgt uit 2 Kor. 11 : 32 en uit het feit, dat nog ten tijde van Trajanus het rijk der Nabateërs zich uitstrekte ten N. O. van Damaskus. Trouwens, Damaskus levert ons meer moeilijkheden, men denke aan Hand. 9:2.

Nog geef ik de meening van D. Plooy, De Chronologie van het leven van Paulus, Leiden, 19*8, bl. 6 vlg. Ook hij gaat uit van het ontbreken van munten met den beeldenaar van Caligula en Claudius en dat Damaskus bestuurd zou worden door een è&v&Qxrjg van Aretas. Maar, zegt hij, als de stadhouder van Aretas Damaskus bestuurde, had hij Paulus wel zonder meer gevangen kunnen nemen. EfpQovQEÏ beteekent het bewaken van de toegangswegen der stad. Plooy verstaat onder den e&va.Q%r]s een nomadenhoofdman of scheick, een min of meer zelfstandig vorst, die met de Joden samenwerkte. Ik merk op, dat in dit geval de naam van Aretas kon ontbreken en dat Paulus beter te Damaskus had kunnen blijven. Zie ook Windisch. Voorloopig lijkt mij de in den tekst gegeven opvatting de meest waarschijnlijke.