is toegevoegd aan uw favorieten.

De tweede brief van den apostel Paulus aan de kerk te Korinthe

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is het standpunt, dat de apostel ook vroeger ingenomen heeft, hij stelt zich niet dadelijk boven de Judaïsten, zie io : 7; 11 : 21 vlg. De Korinthiërs zullen zelf wel tot het inzicht komen, dat, als ze Paulus prijzen, zij de Judaïsten los moeten laten. Paulus wil voorkomen, dat men toch hoogmoed bij hem zal meenen op te merken. Waarom hij ook toevoegt ei xal ovóév sifii x). Het is niet de bedoeling, dat de Korinthiërs ook de Judaïsten als niets zullen beschouwen 2). Paulus spreekt tegen menschen, die de Judaïsten hoog stellen. Wanneer Paulus zegt, ik ben niet minder dan zij, bedoelt dat niet te vragen hem, den apostel, bijzondere eer toe te kennen, maar slechts de gemeente te wijzen op haar plicht. Vandaar, dat Paulus uitdrukkelijk toegeeft niets te zijn, vgl. 1 Kor. 13 : 2 3). Voor vjisqMuv anóaxoXoi zie 11:5 4)- Daar staat voteQtixévai, hier vart^rjOa, wat wij liefst als complexieven aoristus opvatten, § 256. Hoofdzaak is, dat de gemeente den apostel ziet, gelijk hij gezien moet worden. Dat is haar zelf tot heil en Gode tot eer, vgl. vs 19; 13 : 7 vlg. Dan is ook de gemeente waarlijk aanbeveling voor Paulus, 3 : 1 vlg.

12. Vs 12 heeft /iév solitarium, vgl. 11:4, dat geeft nadruk. De teekenen zijn er wel geweest, maar gij hebt die niet opgemerkt (Allo). Daarom mocht Paulus schrijven, als hij in het vorige vers deed. Srj/isiov, een zichtbaar teeken, dat ergens heenwijst, b.v. voetstappen in de sneeuw. Het Nieuwe Testament kent bepaalde aijfteia xov ajioovóXov, teekenen,

vazegr/xévai, 11 : 5. Paulus spreekt van een historisch feit. Men bedenke, dat de apostel thans komt tot de ernstigste verdachtmakingen.

*) Deze woorden worden soms bij het vervolg genomen. Maar dat is onmogelijk: 1. fiév; 2. omdat in vs n ovóév — ovóév een duidelijk woordspel vormen. Zie verder Bachmann. Calvijn stelt de mogelijkheid, dat Paulus met ei xal ovóév ei/xi denkt aan de tegenstanders, die van hem beweerden, dat hij niets was. Hoewel we deze exegese niet geheel verwerpelijk achten, meenen we toch, dat de gebodene om ovóèv yag etc. de voorkeur verdient. Zie ook 1 Kor. 3 : 7.

*) Al ligt er toch wel waarheid in de opmerking van Bachmann: Wie wenig müssen Leute bedeuten, denen man in der Leistung ebenbürtig sein kann, ohne dass man doch irgend etwas wirklich zu sein braucht.

3) Windisch vergelijkt ei xal ovóév eifti met 11 : 5 ei xal ióicaTtjg xzê, en meent, dat het tweede ernst is, het eerste ironie. Wij betwijfelen dat laatste en meenen, dat het wel degelijk juist is te verklaren : voor God weet Paulus zich niets te zijn en hij acht het noodig, dat juist in dit verband uit te spreken.

4) Het is op zichzelf juist, dat thans vnegXiav anóoxoloi, beter dan 11 : s, van de apostelen te Jeruzalem zou kunnen worden genomen, vgl. Windisch. De gelijkheid van uitdrukking, bovendien van een zeer typeerende uitdrukking, eischt op beide plaatsen dezelfde verklaring. Ook leert het verband, dat Paulus nog aan de Judaïsten denkt.