Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Thans is de verhouding weer in orde. De apostel hoopt op een blijde reis. Dat heeft hij reeds meer dan eens uitgesproken, 2 : 1 vlg.; 3 : 4 vlg.; 5:11 vlg. Maar — er is toch nog een en ander! Dat blijkt uit heel den brief, laatstelijk uit wat Paulus schreef over het luisteren naar de Judaïsten en de in de gemeente heerschende twisten. Hij zou anders moeten optreden, dan hij wenschte en hoopte, en dat hield voor hem een vernedering in, omdat hij over de Korinthiërs heeft geroemd, vgl. ook 9 : 2 vlg. Dat is een vernedering, die God, Paulus schrijft zelfs ó &eóq fiov, mijn God, over den apostel brengen zou. Wij krijgen hier een kijk op het leven van Paulus. Het welzijn der gemeenten is een zaak van zijn geloof, van zijn strijd, een zaak tusschen zijn God en hem. De gemeente gaat hem waarlijk ter harte en als hij haar anders vindt, dan hij gehoopt had, treft hem dat persoonlijk. Niet omdat Paulus' roemen dan beschaamd wordt. Zeker, dat is ook in het spel, vgl. 9 : 4, maar de raKeiva>aiq, waarvan hier sprake is, geschiedt niet voor menschen, daarvan lezen wij niets 1). God brengt iets over den apostel, dat hem persoonlijk klein maakt, anderen behoeven daarvan niet te weten, dan voorzoover zij het moeten trachten te voorkomen. Kort gezegd, Paulus vraagt, dat zich niet moge herhalen (jtccXiv), wat bij het tusschenbezoek is geschied. In die richting wijzen ook de volgende woorden, (Paulus zou smart hebben 2), die echter tevens leeren, dat Paulus niet een volkomen herhaling van wat bij het tusschenbezoek geschiedde, vreest. Slechts iets soortgelijks. Een vernedering nu niet, omdat één bepaald man hem smaad zal aandoen, maar omdat hij door de gemeente zou worden teleurgesteld, althans over vele van haar leden zou moeten klagen als over een doode (xev&eiv). En omdat Paulus dit

cap. 2 moest de gemeente leeren een andere houding aan te nemen tegenover den schuldige en daartoe moest zij voelen, wat haarzelf was overkomen. Paulus klaagt daar niet over wat hem overkwam. Hier moet de gemeente leeren, hoe zij Paulus dient te ontvangen. De kans mag niet bestaan, dat hem iets minder aangenaams zal ten deel vallen. En dat is ten slotte niet een kwestie van de gemeente, iets dat zij den apostel aandoet, maar iets, dat God over hem brengt, vgl. den tekst. Juist daarom kan Paulus van een persoonlijk vernederd worden spreken. Het raakt niet Korinthe, doch den persoon van den apostel.

1) Wij kunnen hier niet denken aan een aanval van den engel des Satans. Daarvoor is rajteivovv te zwak en te andersoortig, ook jtai.iv past daarbij niet. Wel is het mogelijk in de eerste vernedering iets anders te zien, dan wat bij het tusschenbezoek geschiedde. Het moet dan echter onbekend geacht worden, waarop Paulus doelt. In ieder geval laat zich uit deze plaats geen grond tegen het tusschenbezoek afleiden, zie bl. 463, noot 2.

2) Het schijnt, dat jzev&cïv ziva nooit beteekent, iem. smart aandoen, steeds smart over iem. hebben. Zie Windisch.

Sluiten