Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziet, als iets dat God hem persoonlijk aandoet, kan hij thans, anders dan in cap. 2, spreken van een persoonlijke xanzivaiOiq, vgl. bl. 463, noot 2. Een tweede moeilijke vraag is, aan wie wij te denken hebben bij JtQorjfiaQzrixóts^. Het woord spreekt van een zonde, die vroeger dan een andere zonde is begaan. Wanneer we nu opmerken, dat aan het slot van het vers als zonden worden genoemd axaS-aQOta, jiogveia, aoéXysia en ons herinneren, dat dergelijke zonden in 1 Kor. worden bestreden, brengt dat op de gedachte, dat Paulus bij jtQorj/uaQTTjxózsi; denkt aan de zondaren, die hij in 1 Kor. heeft bestraft1). Hun zonde ligt vóór de ongerechtigheden, welke in 2 Kor. ter sprake komen. Hun zonde is, tot op zekere hoogte, afgeloopen, want uit fiij fievavoriöavvuiv volgt, dat sommigen zich wel hebben bekeerd 2). Paulus spreekt dus over zondaren, die reeds vroeger in de gemeente voorkwamen (perf.), van wie een deel zich nog steeds niet heeft bekeerd (aor.). Over velen van hen zou hij leed moeten dragen, wanneer de toestanden zich niet veranderen 3), en zijn xaneivMOiq zou in dat jrev&eiv bestaan. Hier blijkt duidelijk, dat Paulus thans niet meer spreekt over de Judaïsten en hun invloed, maar over de wantoestanden te Korinthe in het algemeen. De oude ongerechtigheden waren nog niet geheel weg. Hier blijkt ook, opnieuw, dat de twisten nog geen leerverschillen waren, maar op één plan lagen met ongeregeldheden in het leven, d. w. z. wij vinden hier volkomen dezelfde verhoudingen als in 1 Kor., hoogmoed, die zich uit in ruziemakerij, ook in ontucht enz. Paulus beschouwde het als een vernedering, wanneer die oude, vroeger door hem bestrafte, zonden blijken nog te heerschen. Paulus spreekt zelfs van TiokXoi. Wij vatten

1) Wanneer ik Windisch goed begrijp, vat hij het jiqó in jigotjuaqTrjxotcov op van het feit, dat de zonde aan het berouw voorafgaat. Maar was een part. perf. ^uagrj/xórcuv vóór een part. aor. fiezavorjoavTwv niet voldoende geweest om dat aan te duiden? Bachmann denkt aan zonden, die bij het tusschenbezoek ter sprake waren gekomen. Dat is mogelijk. Maar de verwantschap met 1 Kor. wijst in andere richting. Schlatter denkt aan 1 Kor. 6 : 11. De zonden van ontucht enz. komen in een gemeente niet voor. De fiEravoia geschiedt bij het Christen worden. Wie zich niet bekeert, hoort niet waarlijk tot de gemeente. Daartegen pleit, dat de bedoelde zonden, gelijk dezelfde 1 Kor. toont, nog wel in de gemeenten kunnen voorkomen. Daarom achten we de in den tekst gegeven verklaring, die Schlatter wel mogelijk acht, beter.

2) Windisch en Plummer vinden hier weer strijd met 7 : 9 vlg. Weer moet worden opgemerkt, dat het in cap. 1—7 in de eerste plaats gaat om de verbetering der verhouding tusschen Paulus en de Korinthiërs.

3) Windisch meent, dat in noXXoiq liggen kan, dat Paulus met zijn brief nog eenigen tot verandering hoopt te brengen. Dat is niet onmogelijk. ÜEvihsïv spreekt dan van droefheid over de hardnekkigheid.

Sluiten