Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Richtung kann und muss aber ohne Zweifel noch mehr geschehen x) ?

Misschien meent iemand, dat ik, gezien dit uitgangspunt, toch wel wat veel op den menschelijken factor heb gelet. Ik zou willen antwoorden, dat we alleen in den weg van historisch verstaan kunnen doordringen tot den diepen zin. Wil men zich vrij houden van willekeur, zoo moet men beginnen ook de Schrift te zien in haar tijd, dan juist zien we haar in haar beteekenis voor eiken tijd.

Wie om een enkel voorbeeld te geven, niet weet, wat de .apostelen in hun tijd bestraften, weet niet, wat de Schrift nu bestraft. Bij brieven komt het er nog meer op aan dit in het oog te houden dan bij een evangelie.

Ter inleiding moge ik nog meedeelen, dat kommentaren, lexica en enkele algemeen gebruikte werken zijn geciteerd onder den naam van den schrijver alleen, andere boeken ook met vermelding van titel. Met een enkel § wordt verwezen naar Robertson— Grosheide, Beknopte Grammatica op het Grieksche N. T. De verklaring volgt den tekst van Nestle, het O. T. wordt aangehaald naar de versindeeling van de Statenvertaling, terwijl als het van belang is, de indeeling van de LXX is vermeld. De kommentaar op Jakobus van Hauck kwam mij in handen, toen mijn verklaring al ter perse was, zoodat ik er slechts ten deele mee heb kunnen rekenen. Ik mag naar Hauck vooral verwijzen, voor hetgeen hij in zake strophen, rhythme etc. heeft geleverd. Evenzoo onder het afdrukken verscheen het artikel van Ds. J. S. Post, De schrijver van den Hebreerbrief, Geref. Theol. Tijdschr., 27, 6, bl. 238 vlg. Ik kan daar nu alleen tegen opmerken, dat Ds. Post m. i. niet voldoende gelet heeft op de tegenstelling, die Hebr. 2 : 4 wordt gemaakt tusschen den aanvang en de voortzetting der prediking van het evangelie, de schrijver van Hebr. genoot blijkens zijn wijze van uitdrukken niet van den eerste.

Eindelijk zal het mij, hoop ik, niet al te euvel worden geduid, dat op een heel enkel punt mijn verklaring van den brief aan de Hebr. iets afwijkt van die, welke ik gaf in de Korte Verklaring. Het betreft slechts eenige kleinigheden.

F. W. GROSHEIDE.

*) A. Oepke over Bauer, Johannisev., Theol. Lit. Bl., 47, 23, 5 Nov, '26. Sp. 35Ó.

Sluiten