is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo het, wat het meest waarschijnlijk schijnt, aan den brief zelf is ontleend, op goede gronden uit den inhoud afgeleid.

Wanneer wij de vraag stellen is Hebr. gericht aan Jodenchristenen of niet, d. w. z. aan heidenchristenen, dan moet vooropgesteld, dat het onderscheid tusschen die beiden niet zoo groot mag worden gemaakt, als vaak wordt gedaan. Het lijkt wel, of dit eenig overblijfsel van de Tübingerwijsheid een bijzonder taai leven heeft. O. i. gaat het niet aan te spreken van een doorloopenden strijd tusschen beide groepen, het zou te lang duren op deze kwestie dieper in te gaan. Wanneer we dus ondeizoeken Joden- of heidenchristenen, dan houdt dat niet in een absoluut het een of het ander. Blijft dat weg, dan kan er reden zijn voor de vraag. Niet alleen omdat we uit het N. T. zelf weten, dat de Christenen uit de besnijdenis zich aanvankelijk hebben gehouden aan de ceremonieele wet, maar ook omdat uit den aard der zaak de gevaren, die dreigden voor oud-Joden, andere waren, dan voor gewezen heidenen.

Voor Jodenchristenen bestond het gevaar, dat ze aan de wet van Mozes een beteekenis zouden gaan toekennen, die ze niet meer had. Zoo deden het de dwaalleeraars, die de zuid-Galatische kerken in beroering brachten. Of ook, dat men op Farizeeuwsche wijze door de werken der wet oordeelde de zaligheid te kunnen verwerven en ondertusschen misschien de wet Gods met voeten trad.

Zijn van zulke dingen in onzen brief wellicht sporen te vinden ? Vaak is geantwoord van ja en men meende zelfs, dat Hebr. bepaald waarschuwde tegen terugval in het Jodendom. De directe waarschuwingen en vermaningen moeten ons leeren, — of daarvoor inderdaad gevaar bestond. Het gaat immers niet aan, om naar een vroeger wel gevolgde methode, uit eiken trek, uit elke terloops gemaakte opmerking te besluiten, dat dit of dat bij de eerste lezers aanwezig moet zijn geweest, men moet vragen, wat is de centrale waarschuwing of vermaning.

Die laatste vraag wordt eenparig beantwoord. De waarschuwing, waar het vóór alle dingen op aankomt, vindt ieder

'E(Sqcüoi hebben kan, ligt de ééne geheel binnen het geDied van de andere. Daar uit den brief niet blijkt, of de 'E(Sqoüol Arameesch sprekenden waren en ook de overlevering niet zeker spreekt, is het alleen mogelijk de ruimere beteekenis te controleeren met den inhoud van het schrijven. Een nadere bepaling zou wel te geven ziin, als de woonplaats der lezers met voldoende zekerheid bekend was. 'E(1qcüol in Palestina zijn zeker Arameesch sprekenden, ' EpQOcioi in Rome kunnen dat zijn, maar even goed Grieksch sprekende Jodenchristenen. Vgl. ook H. J. Holtzmann, Einleitung N. T., 3e dr., 1892, bl. 304. Wel is er reden voor de opmerking van Zahn (P.R.E., 3e dr. VII, bl. 454)1 dat niet is in te zien, waarom iemand een brief alleen aan de Arameesch sprekende Christenen in Jeruzalem of Palestina richten zou.