is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

echter altijd van uit, dat Jezus de Zoon van God is, reeds dadelijk in het begin i : 2 1). Evenmin wordt bewezen, dat Jezus priester is. Hij is het, 2:17; 3 :1; 4: 15. Men zou verwachten, dat breed gewezen werd op het vervullen van de schaduwen door het offer van Christus, onze brief stelt zeer zeker de nieuwe bedeeling boven de oude en spreekt over het ongenoegzame van het eerste testament, maar steeds zóó, dat het feit van het leven onder de nieuwe bedeeling vaststaat, vgl. 8:6; 11 140, waardoor is buiten gesloten, dat de Hebr. meer aan het oude testament hingen dan aan het nieuwe. Het deelnemen aan de ceremoniën was voor Jodenchristenen nog niet dadelijk zonde, Hand. 21:22—26, toch valt het op, dat het vraagstuk van al of niet deelname aan den Joodschen cultus heel niet wordt aangeroerd. Tegen Farizeïsme, zalig worden door werken der wet wordt niet gewaarschuwd, integendeel er wordt aangedrongen op standvastigheid, op het vasthouden aan de hoop. Kwesties over het verkeer met heidenchristenen bestaan bij de geadresseerden blijkbaar niet. Het zou niet tactisch zijn, menschen, die hingen aan het vleeschelijk zaad van Jakob, te waarschuwen met het voorbeeld van Ezau, 12: 16 vlg. En ook de vergelijking met de Israëlieten in de woestijn, 3 : 7 vlg. kon licht verkeerd worden opgevat. Wat de lezers ook volgens 6 : 1 vlg. weer noodig hadden, is gemeen goed van Joden en Christenen. Kortom alles, wat aan Gal. of Matth. zou kunnen herinneren, ontbreekt. Over 13 :8 vlg. spreken we nog afzonderlijk.

Ondanks dat alles zijn er nog steeds geleerden, die van oordeel zijn, dat onze brief waarschuwt tegen een terugvallen in het Jodendom 2). Hun argumenten zijn in het kort gezegd de volgende: De verhevenheid van de nieuwe óia&i\xri wordt gesteld boven die der oude, de nieuwe openbaring boven die aan Israël geschonken. Dit is natuurlijk volkomen waar, doch men lette er op, dat dit niet geschiedt qua talis, maar om den Hebr. te doen gevoelen, hoe vreeselijk het is, als ze op zoo groote zaligheid geen acht geven, 2: 1—4, om te laten zien, hoe vast de nieuwe bedeeling staat, hoe zeker men er op rekenen kan, 6: 19 vlg.; 8:6. Dat 3: 12 vlg. zou bestrijden de meening: men kan wel aan God getrouw blijven, doch zonder Jezus als Messias te erkennen, is met geen mogelijkheid in de woorden zelf te lezen. Nergens staat, dat de aniGxla, ongeloof aan Christus is. Evenmin wordt bij 10 : 25 uitgesproken, dat men naar de samenkomsten der Joden ging of dat men uit vrees voor de Joden weg bleef. Het gaat niet

1) Vgl. F. Büchsel, Die Christol. des Hebr. br., 1922, bl. 5 vlg.

2) Bv. H. Appel, Einl. N. T., 1922, bl. 91 vlg.; dezelfde, DerHebreaerbrief, 1918, bl. 36 vlg.; T. E. Belser, Einl. N. T., 1905, bl. 564 vlg.; B. Weiss, Brief Hebr., 1897, bl. 24.