is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat, doch tot haar behoort. üavT8$ 01 ayioi moeten dan de leden zijn der geheele gemeente. Of uit 13 : 17 afgeleid mag worden, dat de kring eigen ijyovfieroi had, staat te bezien, (waarom zou de brief dan niet tot die eigen foovfievoi zijn gekomen?), vs. 17 en vs. 24 kunnen dezelfden zijn bedoeld, ïn verband met de kringvorming kan ook 10: 25 worden verstaan, er waren meerdere èxiOvvccyaiyaL De opmerking, dat het verzuim van de eigen èniowayatyri toch niet zulk een groote zonde kan zijn, is bij de exegese van 10: 25 onder de oogen gezien. De vermaningen van 13:1 vlg. zijn wel begrijpelijk aan een kring Jodenchristenen, die in heidensche omgeving verkeerde.

Bezwaren zijn tegen de kringgedachte ingebracht vooral door Jülicher *). O. i. houden ze geen stand. Jülicher wil aan de geheele gemeente denken en meent, dat de schrijver in 3:12 zeer wel de hoofdfout van heel de kerk te Rome kan hebben genoemd. Op zichzelf moge dit mogelijk zijn, het komt in strijd met den lof aan de kerk van Rome toegekend en de vele andere bedenkingen blijven gelden. 5:12 zou niet passen op een huisgemeente, waartoe immers ouderen en jongeren behooren, dit kan worden toegegeven, wij denken ook niet aan een huisgemeente. De brief zou voor een aan een kleinen kring niet persoonlijk genoeg zijn. Dat is een zeer subjectieve beoordeeling, het feit staat in verband met den vorm, dien de schrijver koos. Jülichers bewering, die zich tegen het aan 10 : 32 vlg. en 13:7 ontleende argument keert, kan juist zijn, we hebben die plaatsen ook niet gebruikt, terwijl toegegeven kan worden, dat 13: 17 niet bepaald staat dat de kring eigen ijyoi>nevoi had en dat vs. 17 en 24 dezelfden gemeend kunnen zijn.

Zoo kunnen we slechts tot de slotsom komen, dat de hypothese, die het meest verklaart en door de minste bezwaren gedrukt wordt, deze is, dat de brief aan de Hebreen is gericht tot een kring van Jodenchristenen behoorende tot de kerk te Rome.

§ 3. Tijd en Plaats.

Wat den tijd betreft, waarin de brief aan de Hebieen is geschreven, kunnen al dadelijk twee data worden genoemd, waarvóór de brief moet zijn vervaardigd. Clemens Romanus citeert onzen brief, dus bestond Hebr. vóór 96. Vervolgens kan de Timotheus, van 13 : 2& ook in verband met het juist genoemde, niemand anders zijn dan de medewerker van Paulus. Rekenen we er mede, dat Timotheus, die gevangen werd gezet en reizen kon maken, nog niet al te oud kan zijn ge-

l) Einleitung N. T., 1906, bl. 143 vlg.