is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat dan den stijl betreft, er zijn verschillen, die komen bevestigen, dat Paulus niet de schrijver van Hebr. is. Paulus' stijl is veel abrupter, bewogener, hij heeft niet zelden een anakolouth. Hebr. daarentegen is geschreven in statig en regelmatig verloopende zinnen. Het Paulinische xvqio$ 'Iijaovq Xqiaxóq ontbreekt in Hebr. geheel, 'Inoovq, dat bij Paulus weinig voorkomt en in de latere brieven als i en 2 Tim. en Tit. heel niet meer, is in Hebr. het meer gewone (anders 10: 10; 13:8 en 21), 'Ev Xqiözü komt in Hebr. evenmin voor als evayyéXiov. Het in Hebr. voorkomende öS-ev ontbreekt bij Paulus 1).

Van beteekenis is ook de wijze van citeeren. Paulus citeert het O. T. tamelijk vrij, Hebr. houdt zich aan de LXX, ja redeneert op grond van de LXX, zelfs als de Hebreeuwsche tekst zulk een betoog niet zou toelaten, zie volgende §2). rèyQamai en verwante uitdrukkingen komen in Hebr. niet voor (10 : 7 is citaat).

Nog voorzichtiger moeten we zijn bij het vergelijken van den inhoud. Toch vallen enkele dingen op. Paulus gaat bij het betoog uit van den verhoogden xvgioq, Hebr. van 'itjaovq, in Zijn vernedering, van de opstanding is in Hebr. niet met zoovele woorden sprake. Paulus heeft het niet over den cultus. In Hebr. missen we het spreken over de heidenen, over de gerechtigheid uit het geloof tegenover de werken der wet, Hebr. heeft Tciariq in anderen zin dan Paulus. Als Paulus het over lijden heeft, spreekt hij vaak van zijn eigen verdrukking en wekt hij op hem na te volgen, Hebr. 10 : 32 vlg.; 13 : 3 ontbreekt iets dergelijks.

Wij behoeven dit betoog, dat voor ons slechts van zeer ondergeschikt belang is, niet te vervolgen.

De historische argumenten worden in de eerste plaats versterkt door 2 : 3, samen maken ze het onmogelijk aan Paulus als schrijver te denken3).

Er zijn er dan ook niet velen meer, die aan Paulus denken. Wel is echter nog in den laatsten tijd de stelling geponeerd, dat de brief pseudo-Paulinisch zou zijn, d. w. z. niet door Paulus geschreven, maar door den auteur zóó ingekleed, dat de lezers aan Paulus moesten denken. Het is m. n. Wrede, die deze meening heeft verdedigd 4). Wrede meent, dat cap. 1—12

*) Over verschil in woordgebruik zie b.v. B. Weiss, bl. 10 noot; G. Milligan, Theol. Hebrews, 1899, bl. 20; H. Alford op 4: 15 — 16; J. Graf, bl. lor {tcqog^sqslv) ; Seeberg, bl. 58 (insi) en vooral F. Bleek, I, bl. 315 vlg.; 333 vlg.; Von Hofmann, bl. 555 vlg.; H. J. Holtzmann, Einleitung, 1892, bl. 297.

2) Het schijnt, dat Hebr. de LXX citeert in een vorm, die nog al eens overeenkomt met codex A, zie Moffatt, bl. LXII; Riggenbach, bl. XXXIV, noot 39.

3) Zelfs J. E. Belser kan dan ook slechts indirecte vervaardiging door Paulus staande houden, Einl. N. T., 2e dr., 1905, bl. 576 vlg.

') Zie W. Wrede, Das literarische Ratsel des Hebraerbriefs, 1906.