is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vastheid bezat, hetgeen blijkt uit het groote aantal parallellen, dat men niet slechts ten opzichte van de zaken, maar ook ten aanzien van de woorden tusschen bijna al de boeken van het Nieuwe Testament aanseven kan 1).

De slotsom moet dus voorzichtig worden opgemaakt. Bij alle verschil in voorstelling, is er in de hoofdzaken zeker overeenkomst tusschen Hebr. en de brieven van Paulus, ook in de woorden wel. Maar men gaat te ver, als men alleen daaruit wil afleiden, dat Hebr. de brieven van Paulus moet hebben gebruikt.

Nog moeilijker is het de verhouding van Hebr. toi de Evangelien vast te stellen. Van de feiten uit het leven van Jezus toont de schrijver zich volkomen op de hoogte, hetgeen bij een Christenleeraar te verwachten is. Overeenkomst in woorden valt echter nauwelijks op te merken 2). Riggenbach heeft gewezen op het zeker merkwaardige feit, dat Hebr. juist ook zulke plaatsen uit het Oude Testament gebruikt, die Jezus van zichzelf heeft gebezigd, als Ps. 8, Ps. 22, Ps. 110, Ex. 24, Jes. 53, Jer. 31 3). „Der Hebraërbrief ist in seinem Zeugnis iiber Christi Person und Werk in der Hauptsache nur ein Widerhall der apostolischen Verkündiging ; aber er gibt sie nicht mit dem schlichten Worten wieder in die sie die ersten Boten Jesu gekleidet hatten" 4).

II. De brief aan de Hebreen en Philo.

Dat er punten van aanraking bestaan tusschen Hebr. en Philo, is lang bekend en wordt algemeen toegegeven. Minder groot is de eenstemmigheid, als gezegd moet worden, van welken aard het verband is. Het oordeel loopt zóóver uiteen, dat van twee geleerden van ten naaste bij dezelfde theologische richting, die in de laatste jaren aan het vraagstuk bijzondere aandacht hebben gewijd en de resultaten hebben verwerkt in hun kommentaar, de één, Windisch, schrijven kon: „Dass er (sc. der auctor ad Hebr.) philonische Traktate gelesen haben sollte, ist ausgeschlossen", (bl. 122), de ander, Moffatt: „The more he differs from Philo in his speculative interpretation of religion, the more I feel, after a prolonged

') Zie Geref. Theol. Tijdschr., 16, Sept. 1915, bl. 174 vle. Dan de verschillende geschriften van A. Seeberg, ook zijn Br. a. d. Hebr., 1912, bl. 62 vlg.

2) Zie W. L. Slot, Letterk. vorm. Br. a. d. Hebr., 1912, bl. 88 vlg.

3) Bl. XXXIII. en Der Br. a. d. Hebr., 1916, bl. 35 vlg.

4) E. Riggenbach, Der Br. a. d. Hebr., 1916, bl. 37* Op dit vraagstuk kan hier niet nader worden ingegaan. Het brengc in verband met de Testimon'atheorie aan J. Rendel Harris zoowel als met de gedachten over de samenstelling der homilie van W. Bacher (Die Proömien der alten Jüdischen Homilie, 1913). Het is onmogelijk deze dingen in het voorbijgaan te behandelen.