is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

study of Philo, that our author had probably read some of his works" (bl. LXI). Chronologisch kan de schrijver van onzen brief zeer zeker Philo, zijn ouderen tijdgenoot, hebben gekend. Of hij de boeken van Philo gelezen heeft, doet ten slotte niet veel ter zake, evenmin of hij dezelfde termen als Philo gebruikt. De belangrijkste vraag is, staat hij onder den invloed van Philo. Werd dit vroeger m. n. van moderne zijde nog al eens beweerd, zoo is, naar we meenen, tegenwoordig het oordeel overheerschend, dat daarvan geen sprake kan zijn *).

Men heeft in de eerste plaats eenige concreete punten van overeenstemming meenen te kunnen aanwijzen. Philo, De special, legg., 23 zou met zijn mededeeling, dat de hoogepriester dagelijks offert {ev)>aq xal d vaiccq rskütv ■/.«.!)•' ij/utQav) aan Hebr. aanleiding hebben gegeven tot zijn xa!)•' ijfiigccv, 7 : 27. Nu zou vooreerst bewezen moeten worden, dat Hebr. deze mededeeling juist aan Philo dankt en dat ze haar niet beiden van een derde hebben of dat we hier een destijds algemeen verbreide gedachte ontmoeten. Bovendien leert goede exegese, dat Hebr. 7 : 27 niet spreekt van een dagelijksch offer van den hoogepriester. En eindelijk is het nog de vraag, of Philo dat eigenlijk wel doet. Dan is opgemeikt, dat Hebr. 13:5 het citaat in denzelfden vorm voorkomt als bij Philo, De conf. Iingu., 32. Dit is inderdaad juist, maar bewijst niets. Immers bij meer dan één citaat in Hebr. vinden we afwijkingen van de meest gangbare LXX recensie, het is mogelijk, dat Philo en Hebr., de plaats aan dezelfde recensie hebben ontleend. Dat er gelijkheid van termen is, kan niemand verwonderen 2). Men vindt die ook bij Paulus en de mysterien, de diatribe litteratuur, de heilige schrijvers hebben zich van voorhanden termen bediend.

Verder gaat het, als men gelijkheid in exegetische methode meent op te merken. Nu is gelijkheid in dit opzicht een rekbaar begrip. Men moet erkennen, dat er punten van aanraking zijn. Die zijn er niet zoozeer ten opzichte van de allegorische exegese, want terecht is opgemerkt, dat Hebr. meer typologisch, Philo meer allegorisch uitlegt. Eerder kan gewezen op het vasthouden aan een enkel woord uit den LXX tekst. Doch ook hier geldt het, dat men niet isoleeren mag. Al is Philo voor

') Over het verband tusschen Hebr. en Philo zie men b.v. E. von Dobschütz, Theol. Stud. u. Krit., 95, 3/4, Juli 1924, bl. 253 vlg.; P. Feine, Theologie des N. T„ 1912, bl. 644 vlg.; H. J. Holtzmann, Éinl! N. T., 1892, bl. 199; G. Milligan, Theol. Ep. to the Hebr., 1899, bl. 203 vlg.; O. Pfleiderer, Das Urcbristentum, 2e deel, 1902, bl. 198 vlg.; dan van de nieuwere kommentaien vooral Moffatt (inleiding passim), Riggenbach (bl. XXXV vlg, ook b.v. bl 221, noot 17; 325, noot 11); Von Soden (bl. 5)» W^indisch (bl. 120 vlg). Voor de exegese zie: P. Heinisch, Der Einfluss Philos auf die altesle Christliche Exegese, 1908. 2) Opgave b.v. bij Von Soden, bl. 5; G. Milligan, bl. 205.