is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1 : 10-12

uit ó 9-eóq oov een subordinatianisme af te leiden (vgl. F. Büchsel, Die Christol. d. Hebr. br., 1922, bi. 22). Als de Messias God heet en de Vader ook God, kan dat niet van een soort heerschappij over den Messias zijn bedoeld, Oov wijst op saamhoorigheid. Buitendien mag niet vergeten, dat het citaat niet ter wille van o »sóg Oov is aangehaald. 'Eluiov ayukXiaOBtug, accus. van inhoud, § 125. Van vreugdeolie mag gesproken, omdat ze dient bij de zalving tot een heerlijk ambt" Méroxoi zijn, die als de Messias ambtsdragers zijn, en die daarom ook worden gezalfd, 1 Joh. 2 : 20 en 27. Ze staan echter allen achter bij Hem. Zoo is de Messias daardoor weer ver boven de engelen verheven. Maar vooral blijft hij boven hen staan, omdat Hij alleen wordt aangesproken als God. Daarom gaat het hier in de eerste plaats.

10. Een volgend citaat spreekt van Goddelijke werken van den Middelaar, de schepping, maar bepaald ook van Zijn onveranderlijkheid, waardoor Hij zich van al het geschapene, dus ook van de engelen onderscheidt. De schrijver citeert Ps. 102:26—28, nauwkeurig naar de LXX, alleen is de volgorde in het begin iets anders en is vs 12 ifiariov ingelascht. Ook hier hebben we een tekst, die in het O. T.°in de eerste plaats Jahweh geldt, doch thans (vgl. vs 6) van den Middelaar wordt genomen. Het recht daartoe ontleent de schrijver wel, aan hetgeen hij in vs 2 zonder tegenspraak te vreezen had vooropgezet, dat door den Zoon de eeuwen gemaakt zijn. Daarom geldt Ps. 102 : 26 vlg. ook van den Zoon. Kav ccQx(l?y van den aanvangstijd, tv uqxÜ duidt het absolute beginpunt aan, xar spreekt van de ontstaansperiode. Wie de aarde grondt, maakt haar en waarborgt haar voortbestaan. Sterker anthropomorphistisch is nog de volgende uitdrukking, die aangeeft, dat ook de hemelen, de woonplaats der engelen, waarmee de Zoon vergeleken wordt (pluralis, § 196) hun ontstaan aan den Zoon danken. Hemel en aarde zullen bedoeld zijn met de inwoners, dus met menschen en engelen.

11, 12. En nu de tegenstelling tusschen den Schepper en het geschapene, Jes. 34:4; 51 : 6. De schepselen, hemel en aarde zullen vergaan (zij het dat, dit vergaan vernieuwing beteekent), God blijft steeds door, zooals Hij is. Aiaiiivsiq, praes. (niet als fut. te accentueeren, hetgeen niet passen zou) is zeer sterk en drukt de absolute eeuwigheid Gods uit. Alles, wat niet God is, blijft niet, verandert, zal oud worden. Nog wel als een opperkleed, een der dingen, waarvan we het oud worden het spoedigst, het gemakkelijkst merken. Tegenover het praesens óiufiivsis volgen nog meer futura. Wat nu komt, laat zien, dat het oud worden maar niet vanzelf geschiedt of doordat God Zijn kracht onttrekt. Het einde brengt God zelf. Een gewaad, vooral een gewaad, als de ouden droegen, kan men