is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3 volgende vermaningen. De lezers zijn in verzoeking, zoo hooren ze wel in het bijzonder tot de xeiga^óftevoi; alpast dit woord op heel den /.«ós, hun moest het toespreken. Ze loopen gevaar af te vallen van den levenden God, 3: 12. Nu mogen ze hooren, dat het lijden van Jezus ook in verzoeking bestaan heeft. Jezus heeft standvastig alle verzoeking verdragen. Daarbij is niet gedacht aan de verzoeking in de woestijn alleen of aan de vraag van Petrus om het lijden te ontgaan, maar het feit, dat heel het werk van Jezus Hem ( a. h. w. toeriep, onttrek u en ge zijt van lijden vrij (vgl. het &Xql xaiQov Luk. 4 : 13). Nu Jezus dat geleden heeft, kan Hij — het gaat hier weer om het subjectief getinte kunnen {vgl. ons: ik kan het begrijpen) naast het objectieve kunnen, dat de vleeschwording bracht — anderen, die verzocht worden, bepaald het volk (roiq), dat steeds in verzoeking is (part. praes. tegenover jtsiQao&eis, het afgeloopene) helpen, d. i. kracht geven om te weerstaan, absoluut, niet nader bepaald, hoe of waardoor, maar zoo juist vol beteekenis, 4:15. Dat is een gevolg van het D.aoxeö&ai.

5—18. Onze brief zette de heerlijkheid van den Zoon voorop, maar vermeldde ook dadelijk, dat die heerlijkheid eenerzijds wel bestond van eeuwigheid, andererzijds verworven was, doordat de Zoon een werk volbracht. Bepaald daardoor was de Zoon heerlijker geworden dan de engelen. Dat laatste werd in hoofdstuk 1 breed uitgewerkt, is in onze pericoop min of meer uitgangspunt. Waarna dan aangetoond wordt, dat in Jezus vervuld is, nu Hij heerlijkheid verkreeg, wat van den mensch moest gelden, maar ook afgedaald wordt tot het werk, dat Jezus vóór die heerlijkheid verrichtte om er in het algemeen van te zeggen, dat het een sterven was, een hoogepriesterlijk werk ook ten bate van hen, die in de beloften met Hem vereenigd waren. Eigenaardig is in dit stuk de afwisseling tusschen reden en doel. Maar daardoor juist kan het zich bewegen tusschen Jezus is de Zoon, Die deel heeft aan den Raad Gods en Jezus is de verheerlijkte Middelaar, die een hoogepriesterlijk werk heeft volbracht. Het geheel vormt een overgang van de algemeene inleiding in hoofdstuk 1 naar het hoofdthema van den brief.

Ook in deze pericoop kunnen we geen sporen vinden van vereering der engelen, evenmin als uit de vo'gende vereering van Mozes mag worden afgeleid. Engelvereering zou men alleen bij de lezers mogen onderstellen, als ze rechtstreeks verboden werd. Wel kan men zeggen, dat de pericoop verklaart, waarom de Zoon, Die toch blijkens het in cap. 1 geschrevene boven de engelen staat, een tijdlang onder hen gesteld is. En ook blijkt, dat de schrijver aldus over den Zoon schrijft, dat Zijn standvastigheid, die Hij om de zonden te verzoenen betoonde, doch die ook later den tot afval