Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3:4

clusie van het vorige en in de woorden zelf^datJ0»Se ^ samenvattend op om te letten op Jezus. Vs 2 brengt Jezus met Mozes in verband. Vs 3 geeft een nieuwe reden om op ezus te letten, n.1. deze: Hij, die met Mozes verge eken werd staat ver boven Mozes. Daarbij is de óoË,a, die de Middelaar thans bezit, en die door de Hebreen ^derkend en creloofd, zoozeer, dat de schrijver haar in den aanhef van den brief en telkens weer begin der redeneering maken kon uitgangspunt. Jezus is heerlijkheid waardig geacht, nl by de vXogfng door God, jegens Wien Hij trouw was en Die Hem

tot Middelaar stelde, vgl. 1: 2 Sv ë^xev f^°X°de Middel Fil 2 ■ q In «i»ovv ligt h. 1. wel opgesloten, dat de Midde laar de tfófa had verdiend. IIccqcc als 1 : 4- Mozes had ook JÓÉcc, maar de zijne is met die van Jezus niet te vergelijken 1). k!Z' foor drukt een evenredigheid uit. Dat het m het volgende gaat om een huis en om hem, die het gereedmaakt fxataölevdoas) d.w.z. bouwt en inricht, is duidelijk Maar minder duidelijk is, in welken zin oho,; te nemen „ W e by ö;.a, toj o'ïxw, vs 2, bepaald denken wil aan het huis Israëls moet bij tov oïxov, vs 3. °P grond van het lidwoord ook aan het huis Israëls denken en komt dan tot de exegese, dat ö xazaöxevaöas avxóv Christus aanduidt als den stic 1 er van het huis Israëls, waartoe ook Mozes zelf behoorde en die daarom in rov oïxov begrepen is. Wij achten deze ver ari g minde? juist, « xazaoxevaoa, kan bezwaarlijk de verhouding van den Middelaar tot Israël aanduiden. Beter is het er op te letten, dat oixos, een zeer algemeen voorkomend woord is voor een overal bekende zaak en daarom geschikt om als beeld te dienen voor meer dan één ding. Niets noodzaakt in vs 2 bij <>'■<!> *<;> oïx<p avxov bepaald aan Israël te denken, ol<;> pleit daar zélfs eenigermate tegen. ^Tan

zooals onze exegese van vs 2 deed, eenvoudiga beeldvan het terrein waarop het dienstwerk werd verricht, dan kan met Tov oïxov, vs 3, het woord oixo$ worden Qpgenömen. zonder dat met dat rov oïxov een bepaalde zaak gemeend is en maD men verSen: als de inrichter van een (huis) ™r e<r orUvangt dan het huis. Dan spreekt de zaak voor zlcJlzelf' ar^ tect en aannemer hebben meer beteekenis dan wat ze makem 4 Dat olxoq in vs 3 eenvoudig van huis zonder mee tmen is, vindt ook 'steun in vs 4. Dit vers immers begm met een algemeen geldige uitspraak. Achter elk huis staa

"en, die hit heeft ingericht. riQ geeft aan, waarom de schrijver recht had de beeldspraak vs 3 te geb™ken- J kan spreken, gelijk hij vs 3 deed, omdat wie huis zegt, archi tect zegt. De volgende zinsnede heeft de beteekenis. e ver

l7of men nXdovoq opvat als meer of als hooger, vgl. Matth. 5 : 20; 6 : 25 maakt weinig verschil.

Sluiten