Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij zijn het huis Gods, (ov — avxov — God), d. w. z. de oixoq, waarover Christus staat en ten opzichte waarvan Hij zich trouw jegens God betoonde en nog betoont. Als huis Gods, men vergelijke de uitdrukking huis Israël in het O. T., staat het volk Gods als georganiseerde eenheid onder den Middelaar, terwijl het de vruchten van Zijn werk geniet, i Tim. 3:15; 1 Petr. 2:5. Nu wekte vs 1 op te letten op Jezus, Die als apostel en hoogepriester veel voor de zijnen deed. Voor wie deed Hij het? Voor alle geadresseerden? Dat hangt er van af. Ze zijn huis Gods, zoo ze de vrijmoedigheid en den roem, dien de hoop brengt, tot het einde toe vast houden. Dat kunnen ze doen, omdat Christus trouw is. llaqqriala is de vrijmoedigheid en tevens de vrijheid, de vergunning, waarop ze berust. Vast houden, vast bewaren (met grooten nadruk /ïf/Saiav xccré/siv, vgl. het zooveel zwakkere tijv ètoiióa ë%atfisv, Rom. 15:4, terwijl het vrouwel. nog zeer bepaald naar izaqQtjoia, wijst) der vrijmoedigheid, is krachtens den aard van dit woord haar voortdurend blijven gebruiken. De schrijver wijst op een fout der Hebreen, die hij vs 12 ronduit noemen zal, en waarop hij telkens weer terugkomt, de Hebreen naderden niet geregeld tot God, ze dreigden af te vallen, (beleden niet?) Ging dat door, dan zijn ze geen huis Gods. 2% eAnidoq is^ èn om de plaatsing, waarbij het lidwoord wordt herhaald èn om de beteekenis (immers in de nieuwe bedeeling is bereikt, hetgeen 7: 19 staat geschreven) èn omdat naoQuaia npoit een genetivusx) bij zich heeft in het N. T., alleen met tö xav%rj(icc te verbinden. Naast de JtccQQrjOia heeft de geloovige èXniq, hoop, dat het altijd zoo blijven en straks nog heerlijker worden zal. En die êZjrt'g is niet iets onzekers, doch iets vasts, vgl. 6: 18, 19, daarom geeft ze stof tot roemen en die stof tot roemen, (xa.itx^«, niet xav/jjrtii;) is ook een kenmerk van het christelijk leven. Waar onvastheid is en slechts klaagtonen klinken, daar is het huis Gods niet. MèxQi zéXovq versterkt nog de reeds zoo sterke uitdrukking, vgl. vs 14, dan ook Matth. 24 : 13; Op. 2 : 14 2). Overigens zal van de JiaQQtjOia, zoowel als van de èkniq later uitvoeriger worden gehandeld, zie 10: 19 vlg. en 11 : 14—16. Zoo geeft de schrijver twee kenmerken, waardoor de lezers weten kunnen, of ze huis Gods mogen heeten, Rom. 5 •' 2, maar hij doet het zóó, dat hij daarin begint de Hebreen te vermanen.

1"] 6. In zekeren zin draagt ook deze pericoop nog een inleidend karakter. Ze maakt den overgang van het vorige gedeelte, dat als een meer algemeen moest voorafgaan aan

1) Die van Hand. 4:13 komt als van geheel anderen aard hier niet in aanmerking.

) Tekstkritisch staat het met [ié/pi riXovg fisfSuiuv bijna evenals met olm vs 2, de woorden ontbreken in B en Pap13.

Sluiten