is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3:7

de behandeling van het hoogepriesterschap van Christus, naar de vermaningen om toch niet af te vallen, die de Hebreen moesten opwekken om de trouw van den hoogepriester na te te volgen en door Hem tot God te gaan. Maar daarbij heeft dit gedeelte toch ook weer een eigen kenmerk in de vergelijking van Jezus met Mozes, die beider werk doet verstaan. Uit de meerdere heerlijkheid van Jezus besluit de brief tot meerder trouw. Hoe hooger iemands plaats is, hoe meer komt het aan op zijn trouw. Zoo heeft dit stuk a. h. w. een gemengden inhoud, vermanend en betoogend. Overigens is er ook in dit deel niets, waaruit kan worden afgeleid, dat de schrijver verkeerde voorstellingen over Jezus bestrijdt en weerlegt.

3:7 —19. Waarschuwing tegen afval.

7. Eer de schrijver het hoogepriesterlijk werk van Christus beschrijven gaat en nadat, al wat ter inleiding gezegd moest worden, gegeven is, biedt de brief de centrale waarschuwing, die laat zien, waarom onze brief werd verzonden en op welke wijze onze auteur begeert, dat zijn uiteenzettingen zullen worden toegepast. Aan de waarschuwing beantwoordt de centrale vermaning, die we in dit gedeelte reeds 4: 14—16 vinden en die later 10: 19 vlg. breed zal worden uitgewerkt. Aió, immers, trekt een slotsom, het is iets minder consecutief, iets meer causaal dan öO-ev vs I. De schrijver zegt: omdat we niet in elk geval het huis Gods zijn, is het noodig enz. Verschil bestaat er over de vraag, bij welk werkwoord öió behoort en eerst, als dat vaststaat, kan nagegaan, waaruit het een conclusie trekt. Men zou kunnen verbinden tfió ft>i oxXriQvvrixs, bij welke verbinding de schrijver het citaat van het tweede deel af, of zelfs het geheele citaat tot zijn eigen woorden zou hebben gemaakt, wil men, de Hebreen zou hebben vermaand met het woord Gods uit Ps. 95. Tegen deze opvatting pleit: 1) dat dan enkele stukken van het citaat wel wat in de lucht komen te hangen, men zou in verband met avxov na (patvfjq verwachten: tb tQya rov &eov niet fiov en 7tQO<jó>x&iocc xrè past in 't geheel niet meer, m. a. w. als de schrijver de lezers met Schriftwoorden had willen vermanen, had hij de Schriftwoorden zóó moeten wijzigen in den vorm, dat ze op de lezers pasten. De opmerking, dat in Ps. 95 de personen wisselen en dat de schrijver van Hebreen daaraan niets veranderen kon, gaat niet op. Leest men Ps. 95 in zijn geheel, met al de persoonswisselingen, dan is de zaak duidelijk en blijkt, dat de dichter, die aan het woord was, met ftrj axXriQvvrixe begint de eigen woorden Gods te geven. Hier wordt slechts een deel geciteerd, en dat vrij letterlijk, daarom juist is het niet geschikt als rechtstreeksche vermaning. Daarbij komt, dat de LXX en dus ook onze brief een ietwat