Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3:8

en vraagt om een oogenblikkelijk en steeds meer hooren naar het nu gebrachte Godswoord (<f ojv/}). 'Axovtiv -(- 2, luisteren naar. Door öimsQOv krijgt èüv eenigermate temporale beteekenis. Als heden Gods Woord tot u komt en gij er naar luistert, gelijk het feitelijk is (èav en sl worden niet scherp meer onderscheiden, § 283), laat dan het gevolg zijn etc. 8. SxXrjQvvsiv rag xagdiag is een echt Semietische uitdrukking, het hart zóó hard maken, dat het gehoorde woord er geen ingang in vinden kan, vgl. 4 : 2; Jes. 6 : 10. Het gaat thans niet om een daad Gods, Ex. 4:21; Rom. 9: 17, maar om verzet van de hoorders. Tot dusver heeft de brief nauwkeurig de LXX gevolgd, hij doet dat ook bij èv r<J> naQa7tixQaC(ji<I> xaza rijv ij/ué^av vov TieiQciafiov. De LXX heeft hier, gelijk ze meer doet, de eigennamen vertaald en kon daardoor het woordspel, dat er in het Hebreeuwsch is, behouden maar gaf aan de andere zijde aan den

tekst een wat andere kleur, als het oorspronkelijke heeft, omdat niemand in TtaQajcixQaonóg of neiQaöfióq eigennamen hoort. De LXX heeft bij de vertaling moeten kiezen of de eigennamen laten vallen, of de beteekenis laten vallen en koos het eerste, waartoe alle aanleiding bestond, niet alleen omdat het bewaren van de beteekenis het eerste belang is, maar ook omdat althans neiQadfióq ook als eigennaam gebruikt is, Ex. 17 : 7 (waar iTTIÖ door XoiéÓQrjaig is vertaald, vgl. èXoKfoQslro Num. 20: 3I. Zoo moet juist door die woorden Ps. 95 duidelijk herinneren aan de feiten, geschied tijdens de reis door de woestijn. Bedoeld zullen wel zijn de gebeurtenissen verhaald in Ex. 17 : x—7, waar Mozes ten slotte den naam der plaats noemt Massa en Meriba en ook sprake is van het verzoeken van den Heere, vs 7. Soms denkt men hier aan de te Kades voorgevallen soortgelijke geschiedenis, waarvan Num. 20 het verhaal geeft. Met volkomen zekerheid is niet uit te maken, welk feit gemeend is. Voor Kades zou pleiten, dat, hetgeen zich daar afspeelde, geschiedde aan het eind der woestijnreis, er tegen pleit, dat daarbij niet van Massa, alleen van Meriba sprake is. Het Jaatste bezwaar schijnt ons zwaarder te wegen dan het eerste, dat wel te overkomen is, zie later. Buitendien blijkt uit Deut. ■6:16 en 7 :22, dat de verzoeking bij Massa gold voor een zeer bijzondere. De vraag, of de verzoeking bij Massa soms moet onderscheiden worden van die te Meriba en de eerste Exod. 17, de tweede Num. 20 is beschreven, zooals op grond van Deut. 33 : 8 wel wordt aangenomen, is hier niet aan de orde, daar onze brief hier en overal uitsluitend met de Schrift ■werkt, gelijk ze daar ligt en daarvan uitgaat. Exod. 17 noemt duidelijk èn Massa èn Meriba. Wel moet gevraagd, of aan een gebeurtenis, die aan het begin van de reis viel, gedacht

Sluiten