is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3: 15 —16a

den steeds weer kracht gevenden grondslag. Eerst als dat geschiedt, blijven ze (itToxoi Xqigtov. 'EdvjtsQ, indien althans. TéXoq, hoogtepunt, het begeerde doel, het natuurlijke einde, (tegenover aQX'l) ziet in zooverre op de parousie, waarop ieders sterven a. h. w. een vooruitgrijpen is, als dan het laatste xéXoq der v.róavaoig bereikt is, het gaat om het hoogste, dat er met de v7ió6raoi$ kan verkregen worden. Het geheele vers stelt duidelijk in het licht, hoezeer het er den schrijver op aankomt de lezers te wijzen op de noodzakelijkheid van standvastig te zijn. Men lette op het zeer sterke fiefiaiav xavaGx<»nev, hetwelk bijna een tautologie is en toch wordt herhaald, al kwam het reeds vs 6 voor.

15, 16a. Bij vs 15 komt de vraag, hoe moeten de woorden worden verbonden, concreet gezegd, wat is de nazin. Wanneer men fiij GxJ-rjQvvriTe tot nazin maakt en dus een punt plaatst achter TttiQanLXQaGfiöt, vermijdt men het aannemen van een anakolouth, maar tegen deze verbinding pleit:

1) dat dan geheel willekeurig alleen het eerste deel van het citaat met èv ta> XèyeoO-ui wordt verbonden, terwijl toch de tweede helft eveneens aanhaling is en ook die tweede helft straks nader wordt verklaard en toegepast (naQeitixQavav);

2) dat de schrijver hier telkens werkt met de woorden van Ps. 95 en het dus beter is die zonder daarin onderscheid te maken bij elkaar te nemen; 3) dat het ook bij vs 7 vlg. beter bleek, niet aan te nemen, dat de schrijver vermaant in de woorden van het citaat. Het verdient de voorkeur als nazin te nemen vs i6a: rivet;... xaqeTiixQavav, en èv xCit Xèyeo&ai te vertalen: als er gezegd wordt. De nazin beteekent dus: van wie geldt het dan, wie waren het, die, hoewel ze gehoord hadden, toch verbitterden? TaQ kan tegen deze opvatting niet worden aangevoerd, het komt meer in deze vragen voor en geeft hier te kennen: want het was noodig, dat dit gezegd werd of: want dat onderstelt immers, dat er waren, die verbitterden, vgl. § 360. Nu we op deze wijze een goeden gang der redeneering krijgen, is het niet aanbevelingswaard èv tut Zéyea&ai met het vorige te verbinden, want bij vs 14 past het niet om fièxQi rèAovq en bij vs 13 genomen geeft het een onnoodige_herhaling. Bij 4 : 1 behoort het niet, omdat daar blijkens ovv een voorloopige slotsom uit het geheel gegeven wordt. Het enkele Aèyeo9-ai drukt uit, dat het er niet op aankomt, wie het zegt, of waar het staat, het gaat nu alleen om den inhoud der woorden. Axovöavxeq, ze hoorden wel, doch aanvaarden het niet, ze verbitterden, gingen tegen God in. Dit axovoavtsq wordt straks in 4 : 2 nader uitgewerkt. JlaQaxiXQaivat heeft geen object, als object is gedacht: God. lluQexixQavav, Ps 78 (77) : 17. Voor de vertaling van xiveq... xaQejtixqavav als positieven zin, zie bij vs i6b.