is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3: 16b—-18

16b. Vs i6b geeft het antwoord op de vraag in den vorm van een rhetorische vraag. Dat de schrijver het zóó doet, is ongetwijfeld om de lezers door hun toestemmend antwoord nog te beter te laten gevoelen, hoevelen ondanks de prediking den verkeerden weg gingen en hoe groot daarom het gevaar was, dat zij zelf liepen. 'AM.' ov, in dU.d wordt afgeweerd de op zichzelf voor de hand liggende gedachte, dat het er slechts weinigen zouden zijn geweest, neen, het waren allen. Ov is vraagpartikel, dus: waren het soms niet allen etc. Vgl. Luk. 17:8. Dat er uitzonderingen waren in Jozua en Kaleb, weet de schrijver natuurlijk zeer wel, maar wat zijn die twee op heel een volk? Deut. 1 : 34, 35. Oudere exegeten namen met het oog op Jozua en Kaleb dezen zin wel eens niet als vraag, doch als positieve uitspraak: toch niet allen enz. Het verband pleit tegen deze opvatting, bepaald ook de inrichting van vs 17, dan ook het heele betoog, waarin het niet om de nauwkeurig verhaalde historische feiten, doch om den afval van een volk als geheel gaat. Het is nog moeilijker om ook den eersten zin van vs 16 als positieve uitspraak te nemen. Men komt in strijd met de geschiedenis en met heel het betoog in onzen brief als men vertaalt: Sommigen verbitterden. Aan den uittocht uit Egypte wordt herinnerd als aan het groote feit, de groote machtsdaad Gods, die de Israëlieten beleefd hadden, die hun verbittering te schuldiger deed zijn. Aid, God was het, Die uitleidde, Hij gebruikte Mozes als middel, vgl. 1 Kor. 3 : 5.

17. Anders dan vs 10 wordt nu, gelijk in het oorspronkelijk, xeaasQdxovTa ërtj verbonden met tiqoowx&iösv. Deze woorden uit Ps. 95 waren in vs 15 niet herhaald. Maar gelijk orjfifQov vs 13 voldoende was om een geheele zinsnede voor den geest te roepen, zoo deed het in vs 15 aangehaalde vanzelf ook aan het vervolg denken. Al de hoofdmomenten van het citaat worden toegepast. Vs 16 gaf een antwoord over de kwantiteit, nu volgt er een over de kwaliteit. Het gold van allen, wat waren het voor menschen: zondaren zegt vs 17, T"i<i laat daarbij zien, dat allen zondaren waren, gelijk ook blijkt uit de nadere bepaling, waarvan ieder weet, dat ze betrof allen, die uit Egypte trokken. Het part. aor. herinnert liever aan de bepaalde zondige daad, dan aan het leven in murmureering, de bijvoeging vermeldt den lezers tot waarschuwing het oordeel Gods. Deze waarschuwing wordt weergegeven in de eigen woorden der Schrift, Num. 14 : 29. Ka>).ov, eigenl. hd, dan ook: lijk, geraamte, het woord doet a. h. w. denken aan de geraamten, die in elke woestijn te bleeken ''oSen- De straf volgde op de zonde en zal weer volgen.

18. De laatste vraag, laat zien, wat den zondaren ontging, ze kregen geen deel, aan wat God beloofd had; het antwoord wordt niet in een afzonderlijken zin gegeven, doch in een