is toegevoegd aan je favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4:6-7

herhaalt den eed Gods van Num. 14 en verklaart, dat de oude Israëlieten niet tot die rust Gods, die er was, gekomen zijn, maar zegt ook, dat in den tijd van den Psalm de belofte en de dreiging van kracht waren. Ook hier zal de rust Gods te nemen zijn van Kanaan, gelijk het afbeelding was van de hemelsche rust. Dat wil niet zeggen, dat geen der Israëlieten die in de woestijn stierven, zalig werd. Israël komt hier alleen als type voor, aan Israël als type is de belofte Gods niet vervuld. Of anders gezegd, het gaat niet om de individuen, maar om het volk, het volk, dat de belofte eerst ontving, kwam niet tot de rust.

6. Is de belofte aan Israël in de woestijn niet vervuld en aan hun kinderen blijkens vs 8 slechts ten deele, de waardigheid van God, Die belooft, eischt, dat Zijn toezegging dan op andere wijze beteekenis krijgt. 'Ejtsl ovv, daar dus onderstelt de redeneering: de rust Gods moet aan anderen ten goede komen. 'AxoXe'uizxai, er blijft over, hier van de beloofde zaak, vs 1 xaxaleixo/iiévris van de belofte. Tivawie blijft in het midden, de rust vraagt om menschen, die er in komen. JlQÓveQOv tvayy£).io(ïivxaq, de Israëlieten in de woestijn, die eerder, dan de zoo dadelijk te noemen menschen, de blijde boodschap, de belofte ontvingen. De reden, waarom Israël in de woestijn, niet tot de rust kwam, wordt hier aneiB-eiix genoemd, vgl. 3:18, anei9-eicc wisselt met aitiozia, 3: 19; vgl. 4:3.

7. Er komt dan een tweede tijdstip, waarop God de belofte, die nog niet vervuld was, herhaalt. Dat was, toen David aan de Israëlieten van zijn tijd Ps. 95 deed hooren, waarin hij herinnerde, aan hetgeen in de woestijn was gebeurd. In het Hebreeuwsch heeft Ps. 95 geen opschrift, de LXX schrijft hem aan David toe. 'Ev daveió, § 178, 3, b., op den persoon van David valt nadruk, omdat het om de herhaling van de belofte in den tijd van David gaat. Daar de eerste maal Israël niet kwam tot het beloofde, wijl het weigerde te komen en het hart wel verhardde, steil God weer een dag vast, waarop de waarschuwing en dus indirect ook de belofte komt tot Israël. Die dag valt veel later (tisva zoöovtov XQ°v°v)> een feit, waarop onze brief wijst, omdat daaruit wel blijkt èn, dat de belofte Gods gelden blijft, èn dat ze aan den een of ander vervuld moet worden. Of ze aan de Israëlieten uit Davids tijd vervuld is, bespreekt de schrijver niet, waaruit moet worden afgeleid, dat het blijven gelden het meest op den voorgrond treedt. Ka9-u>q xQosiQtiTcci, reeds 3 : 7 trad naar voren uit het citeeren van Ps. 95, dat God weer kwam met de belofte in de dagen van David en dat ze van kracht bleef. ErifisQov kan beschouwd worden als bijstelling van ijfiègav, (dit woord is wel gekozen in verband met Otj/usgov) God bepaalt weer een dag nl. den dag van heden, het heden