is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4: 14

4: 14—16. Vermaning om te gaan tot den troon der genade.

14. Over het nu volgende gedeelte bestaat tot op zekere hoogte verschil van opvatting. Dat raakt echter niet den inhoud der verzen, het loopt over de vraag naar de beteekenis der pericoop in het geheel van den brief. Soms laat men bij 4:14 een nieuw hoofddeel van den brief beginnen, het thans komende deel zou de uiteenzetting gaan geven van het hoogepriesterlijke werk van Christus. Op zichzelf is dat juist, maar ontkend kan niet worden, dat over het hoogepriesterlijke werk van Jezus reeds eerder werd gesproken, 2 : 17; 3:1; laat dat terloops geweest zijn, het bewijst toch, dat de schrijver ook in het vorige betoog dit werk reeds voor den geest had1). Aan de andere zijde hebben sommige exegeten dit stukje met het onmiddellijk voorafgaande in verband gebracht, waarvan het een soort slotsom zou geven, wij meenen het veiligst te gaan, door het thetische deel van den brief door te laten loopen tot 10: 18 en toe te geven, dat terwijl tot dusver meer op het hoogepriesterschap van Christus werd aangestuurd, het nu met zooveel woorden behandeld wordt. Ovv valt op, het juist geschreven deel handelt niet over het hebben van een grooten hoogepriester. Ue bedoeling van dit ovv zal niet zijn te concludeeren uit het voorafgaande, doch terug te komen op 3:1, waar het hebben van een hoogepriester werd ondersteld, §361. Miya$ heet deze hoogepriester om Hem duidelijk van den Israëlietischen te onderscheiden, Jezus steekt boven allen uit, vgl. 10 : 21; 13 : 20 2). Die grootheid blijkt ook daaruit, dat Christus de hemelen doorgegaan is. De plur. ovQavoi zal als plur. intensivus te verklaren zijn,. § 196, d. w. z. ze wil in de eerste plaats de heerlijkheid van

*) Calvijn meent, dat tot dusver over het apostolische werk van Christus werd gehandeld en dat nu het hoogepriesterlijke aan de beurt komt, dat zoo het programma van 3 : 1 wordt afgewerkt. Het is echter niet in te zien, hoe cap. 3 en 4 bepaald spreken, van wat Christus deed als Gezondene van den Vader.

2) C. P. Sherman, Expos. Times, 34, 1922, bl. 235, wijst op het opvallende in de uitdrukking do^Kplvg utyag. Hij herinnert er aan, dat in het Hebreeuwsch voor hoogepriester twee namen voorkomen, n.1.

jron en tTJOn JfD* In later tijd, toen er meerderen waren, die

het hoogepriesterschap hadden bekleed (vgl. Annas en Kajafas), zou de eerste titel gebruikt zijn voor hen, die hoogepriester geweest waren (iccq%isqsvs), de tweede voor den dienstdoenden hoogepriester (tsgsv£ liéyccg). Door de twee titels te verbinden maakt Hebr. Christus tot den altijd blijvenden, steeds dienstdoenden hoogepriester. J. A. Selbie, t. a. p., bl. 477, meent echter, dat door Sherman ten onrechte een onderscheid tusschen beide titels aangenomen wordt.