is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5: 10

uitspraken tot Israël kwamen door een menschelijken dichter. God heeft Jezus priester gemaakt, daarom kon Hij priester zijn en kon Zijn werk vrucht dragen. Naar een in onzen brief meer voorkomende gewoonte wordt Melchizedek en zijn x even genoemd, straks zal er breed over worden gehandeld. 1—10. Het hoogepriesterlijke werk van Christus wordt geteekend als eenerzijds beantwoordende aan het Aaronietische, doch aan den anderen kant zijnde naar de orde van Melchizedek. Jezus heeft het werk verricht als Middelaar, als God en mensch, in den weg der vernedering volhoudende, getrouw blijvende, tot het einde. Daardoor verwierf Hij iets voor de zijnen. En achter dat alles staat de Raad des Vredes, die reeds onder den ouden dag in de Psalmen is geopenbaard en waardoor de Zoon hoogepriester werd. In het algemeen gesproken wordt van het aardsche hoogepriesterschap en van dat van Christus beschreven oorsprong, taak en doel. Jezus staat als een waarachtig priester met menschen in verbinding (<JaQ§), doet het werk van een priester, is door God geroepen. En de schrijver toont aan, dat het alzoo wezen moest volgens de Schrift, die in de beschrijving van het hoogepriesterschap aangeeft, aan welke eischen de hoogepriester moet voldoen en van den hoogepriester op zulk een wijze sprak, dat de vervulling eerst met Christus kwam. De schrijver onderstelt, dat Jezus hoogepriester is en toont aan, dat Hij terecht zoo mag worden genoemd, blijkens hetgeen de Schrift zeide omtrent den hoogepriester, blijkens de inzetting in het ambt, blijkens Zijn doen op aarde.

Merkwaardig is de vorm van deze pericoop. In het middelpunt staan vs 4—6 en in het middelpunt daarvan 'Aagiov— Xgiffvóg. Aan het begin van vs 4 staat XafitSuvfi aan het begin van vs 1 Xafi^avó/isvoq, daaraan beantwoordt xaza xijv Msi.yiGsÓis. aan het slot van vs 6 en aan het

slot van vs 10. Er is eenig verschil over de vraag, in hoeverre vs 1—3 iets te maken hebben met vs 7—10. In elk geval mag men zeggen, dat vs 1—3 spreken van de zonde en de zwakheid van den aardschen hoogepriester en daarom van het onvolkomene van zijn werk, vs 7—10 van den „arbeid der ziel" om de zonden te dragen van den grooten hoogepriester. Daarbij wijzen vs I—3, gelijk boven reeds betoogd werd, duidelijk terug naar het vorige, vs 7—10 bereiden door de vergelijking van Christus met Melchizedek het volgende voor. We krijgen dus o Xqhnóg, daaromheen twee zinnen, die de twee leden van een vergelijking vormen. Elk van die twee leden wijst heen naar een lid van een andere vergelijking, die echter minder duidelijk is dan de vorige1), terwijl

') Immers av&Qwitcnv Xccfipavófiivos kan op zichzelf wel congrueeren met HuirtSQ vjv vióg, maar ia het verband hebben de beide