Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ethischen zin genomen worden en vertaald worden door: goed en kwaad*). Het is zeker eigenaardig, dat de schrijver in dit verband, waar het niet over het handelen gaat, plotseling spreekt van de onderscheiding tusschen goed en kwaad. De brief bedoelt den lezers een kenmerk te geven, waaraan ze weten kunnen, of ze volwassenen dan wel kinderen zijn; zoowel met J-óyog éixaioavvr^, als met xaJ.óg en xaxóg blijft de schrijver in het beeld en komt hij niet tot het punt van behandeling, den J.óyog over het hoogepriesterschap van Christus. De overgang daartoe volgt pas 7 : 1. De ê'§ig, habitus, is de plooi, dien de geest krijgt door oefening. Vanwege (óia -J- 4) dien plooi hebben ze geoefende zintuigen, d. w. z. na de langdurige oefening is de geesteshouding a. h. w. het eerste geworden en maakt die het onmogelijk, dat de zintuigen anders^ werken, dan ze nu na oefening doen. Men lette op rijv-rd, het gaat om iets bepaalds. Meermalen is opgemerkt (zie b.v. Weiss, a. 1.), dat de schrijver niet verder gaat dan het beeld, hij trekt geen slotsom, en spaart zoo zijn lezers, vgl. ook 6 : 9. De toepassing zou moeten luiden, ge zijt zoover afgezakt, dat ge goede en kwade prediking niet meer onderscheiden kunt en ge moet weer van voren aan worden onderricht.

11—14. Aanschouwelijk, in een vrij breed uitgewerkt beeld stelt de schrijver tegenover elkaar, hoe het is en hoe het moest zijn. Daarbij sluit zich onmiddellijk aan een opwekking om tot betere toestanden te komen. Van voorafgaande vermaningen onderscheidt deze zich hierdoor, dat niet een deel der lezers, maar heel de gemeente wordt gewaarschuwd.

* Tegenwoordig wordt Xoyo^ Slmxlogvvjis veelal opgevat als: woord, dat aan de eischen der gerechtigheid beantwoordt, d. w. z. een goed, volledig woord, gelijk kinderen het nog niet kunnen spreken. Op zichzelf is tegen deze opvatting niet zooveel bezwaar in te brengen. Ze dwingt er echter toe y.ct/.óe en jtcrxóg in vs 14 niet van redelijk goed, en k\\ aad te nemen, doch van goed en kwaad voor den smaak, of voor het lichaam in aansluiting aan rgoipt]. Dat is echter wel wat vreemd, omdat in de Schrift goed en kwaad meer dan eens naast elkaar voorkomen van zedelijk goed en kwaad, vgl. b.v. Gen. 2 : 17; Jes. 7 : 16. Toegestemd moet, dat op deze plaatsen niet letterlijk xaXó's en dya&óg staat, maar de woorden van Hebr. 5 : 14 doen toch aan de genoemde teksten denken, en voor Xóyog diKccioavvris past de verklaring ratio ïustitiae niet minder in het verband, dan de thans meest gegevene.

Sluiten