Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6:2

prediking, vgl. Matth. 3:2; 4:17; Mexdvoia is tot op zekere hoogte een intellectueel iets, het moet in den vovq der menschen anders worden, ze moeten tot het inzicht komen, dat ze de dingen verkeerd bezien en ze dus anders moeten gaan doen. Het verkeerde heet hier vexqo. tqya. Doode werken zijn werken, die niets opleveren en die daarom geen waarde hebben x). We kunnen daarbij wel in de eerste plaats denken aan de Farizeeuwsche, uiterlijke wetsonderhouding, Rom. 7 : 4 vlg., er is echter geen reden om het daartoe te beperken. Ook de heidenen doen doode werken, zie Ef. 2 : I, 5; 5 : 11; Kol. 2 : 13. Vgl. ook Jes. 55 : 2. In het algemeen zijn het de werken vóór de bekeering gedaan, de werken der ongeloovigen, vgl. 9:14; Jak. 2:14 vlg. De schrijver zegt niet, dat de Hebreen thans zulke doode werken deden. Eerder moet het t'jyu vsxqu hen er van overtuigen, dat het onmogelijk is weer van voren aan te beginnen, ze waren er af. Datzelfde geldt mutatis mutandis van het positieve iticrs(i>§ éxi 9-eóv. 'Ejti met den accus. spreekt van geloof, dat zich richt op God. IHaxLs, is daarbij in de eerste plaats vertrouwen. ®£Ó$, niet Xgiozóg, is niet zoo vreemd, vgl. Hand. 26: 20 (van Joden en heidenen); 1 Thess. I : 9 (van heidenen). Dat het Christelijk geloof met deze twee dingen beginnen moest, is duidelijk. Het moge op zichzelf waar zijn, dat in deze twee niet iets specifieks Christelijks ligt, het is toch niet te ontkennen, dat de Christelijke prediking hiermee beginnen kan, om vandaar uit verder te gaan, vgl Mk. 1 : 15; Hand. 20:21. Men denke aan Paulus' rede op den Areopagus. Daaruit echter nu af te leiden, dat de lezers van den brief heidenchristenen waren, gaat zeker te ver, omdat in fiezavoia «.rö vexQtbv ëgyatv iets anti-Joodsch niet te miskennen valt. Wel is er op gewezen, dat Joden toch geen éxi 9-eóv

behoefde te worden gepredikt. Maar daartegen geldt, dat ntözis in den zin, waarin onze brief het neemt, vgl. bij 11 :1, ook Joden moest worden aangeprezen. Ook in jtiariq, gelijk onze brief het heeft, ligt een tegenstelling met geen baat brengende en daarom doode werken der wet, vgl. Rom. 3 : 27—31, ook Mk. 1 : 15. Juist die tegenstelling doet denken aan een prediking aan Joden 2).

2. Vs 2 plaatst ons voor een tekstkritische kwestie. N B C D lezen B fiuSa/jiv. Er zou te meer reden zijn om

hier van B af te wijken, wijl op andere plaatsen in Hebr. B ook niet de beste lezing schijnt te hebben, vgl. 4:2; 9:1. De genetivus dida/jfé geeft echter geen zin. Dan zou de leer

1) Herm., Sim., IX, 21, 2: ra. tjtj tiara air tav tióva 01, ra de %Qya avr&v vfxpa èaxiv.

*) Vgl. R. Perdelwitz, Z. N. X. W., 1910, bl. 117 vlg.; H. Appel, Der Hebraerbrief, 1918, bl. 22 vlg.

Sluiten