is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6:12

houden kan, wijl ze in den aardschen vorm niet meer noodig is, het is ook hier <féQsafbai ènl zr^v zsleiózriza, vgl. nog 3 : 6. 12. Zeide vs 11, wat er gebeuren moet, vs. 12 voegt er aan toe, wat dient te worden voorkomen. Ook 5:12 werd vw&yóq gebruikt. ^\(o9-qoi xccïg axocciq waren de Hebreen reeds, maar v(o9qoi, traag in absoluten zin waren ze niet, alle geestkracht ontbrak nog niet, en om tot verbetering te komen, moesten ze toenemen in de hoop, gelijk het te zien is in het leven van de vrome voorgangers. Er zijn menschen, op wie ze kunnen zien, die het leeren kunnen, wat in de hoop is te bereiken, vgl. 13:7. De schrijver noemt die menschen x).riQovov.ovvxeq zaq exayyeUaq en hij geeft aan, dat ze dat geworden zijn in den weg van nioziq en /uaxgoB v/uia. Deze woorden wijzen naar de hoofdgedachte van den brief, het komt op geloof, volhouden aan. Wie daarin uitblinken worden ten voorbeeld gesteld. Het valt op, dat hier staat een part praes. xXVQovo^ovvzsg, er is sprake van menschen, die noa altijd aan het erven zijn of van menschen, die gekarakteriseerd kunnen worden als: ervenden. In het N. T. is evayyéXiov vrijwel staande term voor de heilsverkondiging van den nieuwen txayyelicc ^ voor die van den ouden dag. Behalve de belofié zelf kan ejcayyeUa m. n. ook in Hebr. het beloofde goed aanduiden, maar dan toch wel zóó, dat het steeds blijft inhoud der belofte, d. w. z. de gedachte, dit was beloofd en is nu naar de belofte verkregen, moet voor den geest blijven. In dien zin is het ook hier te nemen. God heeft gedurende de oude bedeeling vele bepaalde (rag) beloften gedaan en de inhoud dier beloften is aan erfgenamen ten deel gevallen. Vgl. ook Gal. 3 : 18 en 29. Bij x}.tiQovotuslv denke men aan het op wettige en zekere wijze als kind ontvangen hebben en dus bezitten, vgl. 7:6; 11:9 en 17; ook Rom. 4 : 13. Deslotsom van deze uiteenzetting moet zijn, dat we onder %atjqovo/liovvz8$ wel in de eerste plaats maar toch niet uitsluitend mogen verstaan de vromen van den ouden dag, wier Tiioziq en fiaxQo&vfiicc de Schrift voor de Hebreen beschreef en dan verder degenen, die ook in de nieuwe bedeeling reeds hadden moeten lijden voor de zaak van Christus, ten slotte weer alle geloovigen in alle tijden. En ze ontvangen het beloofde, niet omdat ze het verdienden, maar als genadige erfenis, in den weg van itiöziq en fiaxQO&vfilcc. MaxQo&vfiia is lankmoedigheid, het passieve, het actieve is vxofióvij. Tliazic, zal hier ongeveer dezelfde beteekenis hebben als imo/ióvrj, het ma<>• niet in Paulinischen zin genomen, Gal. 2 : 7, maar beteekenl de actieve trouw, het volhouden, het vertrouwen op de toezeggingen Gods. In cap. 10 : 36—39 komen imofiovri en naast elkander voor, naar aanleiding van het citaat uit Habakuk neemt de schrijver vxo/uovrj op als Ttiaztg en gaat dan breed over die itioziq spreken, dia -f- 2, in den weg van geloof en