Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7:6

noemde oi tx tüv vlütv Asvsi en dus wel Levi, niet Aaron werd vermeld, tot een enkel xov Xccov aanleiding gegeven. Alles volkomen begrijpelijk, nu Melchizedek boven Abraham gesteld wordt. Isqcixsik (niet iegtoovvrj) is misschien gebruikt, omdat het 't in Exod. LXX gebruikelijke woord is. Volgens A. Seeberg is ieyaxsia meer priesterdienst, isQutavvri meer priesterwaardigheid. Moulton en Milligan s. v. toonen aan, dat het onderscheid niet altijd in het oog gehouden wordt, zie ook de noot bij Riggenbach. Aafifidvovteg, die het telkens weer ontvangen. De priesters uit het huis van Aaron hebben een bepaald gebod (èvzolriv) in de wet van Mozes, overeenkomstig die wet (xaxa xov vófiov), dat hun het recht geeft tienden van het volk Gods (J.aóv) te nemen, m. a. w. ze bezitten daartoe niet van nature het recht, het is een opzettelijk gegeven en dus betrekkelijk willekeurige bevoegdheid, een voorrecht, Num. 18: 21, 26. Waarom God Levi koos, is niet te zeggen, waarom Melchizedek recht had op tienden, is wel te zeggen. Tbv Xaóv wordt nader omschreven: xovx' è'ariv rov§ aóektfovq avxaiv, van hun broederen, die volkomen met hen gelijk staan in afstamming en alles. De wet staat den Levieten toe tienden te nemen van de Israëlieten, ofschoon die Israëlieten evenals de Levieten zelf afstammelingen van Abraham zijn. Daardoor blijkt, dat van een natuurlijk recht der Levieten geen sprake kan zijn, allen stonden gelijk, het heele tienden geven en nemen rust op een uitdrukkelijk gegeven gebod, het is een voorrecht, dat God den Levieten boven anderen schonk. ' Anoóexaxolv, § 69. 6. Met Melchizedek staat het anders. Zijn genealogie is ons niet bekend, hij behoort dus niet tot een stand of groep, die krachtens afstamming recht op tienden had, laat staan tot den stam van Levi («| avxatv), die het tiendrecht van God had ontvangen. Melchizedek had van nature, het recht om van Abraham tienden te nemen. En Abraham erkende dat recht, zonder dat er een wet was, die hem dit beval. We verstaan dat, indien we er op letten, dat Melchizedek priester en koning was, het ambt nog had uit de schepping, Abraham daarentegen was de bijzonder geroepene, die krachtens die nieuw ingekomen roeping den Heere diende. Nog sterker spreekt van de heerlijkheid van Melchizedek, dat hij Abraham zegende. Abraham was reeds gezegend, hij had beloften (ènayyeXiai wordt vooral gebruikt van de toezegging van het heil, dat onder de nieuwe bedeeling met Christus komen zal). Wanneer Abraham zich toch nog weer door Melchizedek zegenen laat, erkent hij daarmede, dat Melchizedek te zegenen had. De woorden, waarmee Melchizedek Abraham zegende, doen zien, dat hij bedoelde te bevestigen den zegen, dien Abraham van God ontvangen had, gelijk Izaak, Gen. 28:3—4, bevestigt, uitbreidt en toepast den grooten zegen van Gen. 27 : 27—29.

Sluiten