Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3: 12; io: 19 vlg. 'II/ulv, de schrijver vereenigt zich met de lezers, het geldt allen Christenen, vgl. 2 : I en verder. Kai zoowel als agxiSQevq zijn merkwaardig, het eerste drukt hier trouwens ook uit (§ 352) en laat zien, dat, al moge zoiovtoq doelen op de komende adiectiva enz., het toch ook eenigermate naar het voorafgaande wijst; zoodanig als beschreven is, en die is, gelijk nog zal worden gezegd. En aQ%i£QSvq hier, terwijl reeds sprake was van Itgevq xata rijv ragir MeX;(iffsdéx, ziet, op hetgeen vooral in cap. 9 zal worden ontwikkeld, dat Christus in de xa^iq xov Me)-xioeóéx ook verrichtte het werk van Aaron, (vgl. 5 : 9 en 6 : 20). "ETiQeTiev, zie 2 : 10, het gaat om het betamelijke, de schrijver wil zeggen: bij zulke menschen als wij zijn, die dreigen af te vallen, past zulk een hoogepriester, dat we door Hem tot God kunnen gaan. Het gaat niet om een zedelijk moeten, maar om iets, waarvan ieder het passende, het natuurlijke zal inzien. Eerst worden nu de verschillende hoedanigheden van den hoogepriester opgesomd. 'Oaioq, pius, vroom, duidt de verhouding tot God aan, ziet niet op een ritueele heiligheid, maar op zedelijke, innerlijke. Het woord komt in het N. T. niet zoo vaak voor, kan hier opzettelijk gebruikt zijn,^ (wellicht in navolging van de LXX, die vaak "Ppn door öoioq vertaalt), in

onderscheiding van clyioq, dat Hebr. zoo menigmaal heeft in verband met den eeredienst *). Na het positieve öoioq komen drie negatieve aanduidingen, die öoioq moeten toelichten en laten zien, dat bij ons een hoogepriester past, die met de zonde op aarde in geenerlei verband staat. Kaxóq staat in zekeren zin juist tegenover öaioq, omdat het de slechtheid der natuur te kennen geeft, in het hart van onzen hoogepriester mag geen boosheid wonen, dxaxoq, onbedorven. Zal Hij tot God brengen, dan moet Hij volkomen heilig zijn. Daarom ook afiiavxoq, geen bezoedeling mag op Hem een vlek hebben nagelaten. Ke%o>Qi<Jfiivoq behoeft niet bepaald te zien op een handeling, die heeft plaats gegrepen, het kan eenvoudig vastleggen, dat er tusschen Christus en de (x<hv, de heele klasse) zondaren geen gelijkheid bestaat, het wordt verklaard door 4: 15. Trouwens heel dit gedeelte herinnert aan het slot van hoofdstuk 4. Misschien wordt gedoeld op de ontvangenis uit den Heiligen Geest, vgl. 9 : 14, of ligt er een herinnering in aan de afzondering van den hoogepriester. Vgl. ook 9 : 28, XOjQiq a/iaQxiaq. Op ander gebied beweegt zich de volgende uitdrukking. Ze is weer positief en ziet op de majesteit van den hoogepriester, ze herinnert aan I : 3, ook aan 6: 20, ysvó/uevoq wijst op iets, dat eerst anders was, vgl. Ef. 4: 10. Hooger dan de hemelen moest Hij zijn, omdat Hij tot God

l)'Isgóg komt in Hebr. niet voor. Zie b.v. Fr. Eakon, Expositor, Juni 1920, bl. 464 vlg. .

Sluiten