Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt de brief er op terug), zoo min wordt het karakter van den dienst afgehandeld, het blijft bij een meer algemeene omschrijving. Natuurlijk hoort dit alles nog veel minder tot het xe<pdXaiov van vs i dan de vraag, waar verrichtte de hoogepriester den dienst, het xeyaXaiov is alleen, dat we zulk een priester hebben. Reeds 5:1 gaf de schrijver de redeneering, dat Christus moet doen, wat iedere priester^ behoort te doenx). Ook hier heet het Jiaq yaQ aQxi£Qev$ — xa&ioxaxai, men zou bijna denken aan een vaststaande wijze van uitdrukken. Ook het doel van het priester-zijn, de taak van den priester wordt h. 1. omschreven als 5 : 1. Een priester is alleen priester, als hij offeren kan. Overbodig is deze herhaling niet. Immers na 5 : 1 was vooral de oorsprong en het karakter van het priesterambt aan de orde gekomen. En wat daarop doelde (ff avO QÓt7t<x>v Xafiftavófievo^ v.rè(> avüoib.Kov), ontbreekt thans. Daarentegen was van het offer nog slechts in het voorbijgaan en feitelijk alleen om wat volgen zou, aan te kondigen, sprake geweest, vgl. 7 : 27. De schrijver wil er a. h. w. aan herinneren, dat hij met dit stuk nog niet klaar is, hij houdt het in gedachte, zal er op terug komen. Zie voor 7iQOO(ftQSiv ó<öqu xe xal &voia$ bij 5 • Men houde dus vast, dat hier nog slechts in het algemeen van het offer gesproken wordt. Zelfs indien &vaiai meer slachtoffers zou aanduiden, dan kan toch niet gezegd, dat thans reeds van bloedstorting sprake is. Immers dan zou op gelijke wijze uit de uitdrukking kunnen worden afgeleid, dat Jezus meer dan één offer brengen moest. Het gaat wel om het offer, niet om het hoe of het wat, slechts om het dat. Zoo ligt het ook in de conclusie, in den zin door öS-ev ingeleid, uitgedrukt. Omdat Christus priester is, moet Hij offeren (xQOOevéyxy, § 226), het Tt wordt niet nader omschreven. En men zou geneigd zijn in dit verband nog niet na te gaan, waarin het offer bestond, het wat. Verschil is over de vraag, of bij avayxaiov gedacht moet worden èaxiv of nv. Eigenlijk is die vraag niet op te lossen zonder te onderzoeken, of het offer iets is, dat afgeloopen is of nog voortduurt. Zoo zijn we toch genoodzaakt naar 9: 12 te gaan, waar gezegd wordt, waarin het offer van Christus bestond, het is afgeloopen en bij avayxcüov is dus i^v te denken. Nog zij opgemerkt, dat we hier het in het N. T. meer voorkomende geval hebben, dat met ó&tv een conclusie getrokken wordt uit een zin, die zelf een reden is. Zakelijk valt dan ook de zin met ofbtv samen met XeixovQyóq 8).

1) H.l. kan niet aan de verzwakte beteekenis van y.a&iorccvai worden gedacht, (vgl. J. de Zwaan, Theol. Stud., 1913, bl. 85 vlg.), een priester

heeft een aanstelling.

2) J. J. Prins, Godgel. Bijdr., 1862, bl. 615 wil dit vers uit den tekst verwijderen op grond van bezwaren aan den inhoud ontleend. Overigens

Sluiten