Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9:8

waren en waarop uitroeiing stond, niet verzoend werden, de verzoendag is een dag van verootmoediging, Lev. 16:31, (zielen kastijden). Dat de zonden door deze uitdrukking niet vergoelijkt worden, blijkt daaruit, dat er verzoening voor moet worden gedaan. Zie verder bij Hebr. 5 : 2. Duidelijk wordt er de aandacht op gevestigd, dat er in het ceremonieele èn voor den hoogepriester zelf èn voor het volk zonden vielen te verzoenen.

8. Nu volgt een genet, absol., terwijl de Heilige Geest duidelijk maakt, (n.1. door wat er in het heilige en het heilige der heiligen gebeurt), het praesens staat op één lijn met eioiaaiv, het gaat, om wat er in de Schrift geschiedt, hoogstens om wat er op grond van de Schrift geschiedde. In de Schrift spreekt de Heilige Geest, vgl. 3 : 7, ook de bedoeling van het Schriftwoord is van den Geest. In een brief als de onze, die niet zoo vaak uit de feiten, maar geregeld uit de Schrift redeneert, is deze uitdrukking van zeer veel gewicht. Gelijk 3 : 7, lezen we xö nvevfia xö ayiov. Tovxo kondigt het object van het (ftjXovv n.1. den acc. c. inf. nadrukkelijk aan. MriJcot 7te<pavfQüo&ai xijv xütv ayituv óóóv, (voor den gen. zie bijv. Matth. 10:5), slaat op het hemelsch heiligdom, gelijk uit heel het verband blijkt1). Immers als de schrijver spreekt, van hetgeen de Heilige Geest door de ceremoniën op aarde aangeeft, kan hij slechts iets bedoelen, dat niet op aarde is. Buitendien was op aarde zichtbaar, dat de weg naar het heilige niet open was en geeft ook de gen. absol. jr(>a>Tifs azyviig éxovaqs OxaOiv aan, dat xijv xütv ayicov oóóv ziet op het heiligdom in den hemel. Het feit, dat de hoogepriester op zulk een bijzondere wijze slechts eens per jaar voor de ark mocht treden, duidt aan, dat er voor het volk op deze aarde geen vrije weg was naar den hemel. stelt in uitzicht, dat

dit anders worden zou, straks vermaant de schrijver om, nu de weg er is, toe te gaan langs de öóöq 7iQÓo<faxo% xul 10: 20. Het woord liyia is gekozen in verband met het heiligdom op aarde, dat een afbeelding gaf van den hemel. Gelijk reeds werd opgemerkt bij 8 : 2, maakt de schrijver in den hemel geen onderscheid tusschen ccyia en ayia ayiotv, iiyia heet de centrale plaats in den hemel, waar Christus de verzoening verrichtte, vgl. 9: 12. Dat op aarde zulk een on-

rj Men zou geneigd kunnen zijn, als TïotuXl] (iv.iivTj evenals vs 2 het heilige is, te verklaren: zoolang het heilige bestond (en dus het heilige der heiligen was afgesloten), toonde de Heilige Geest zelf (vgl. 3:7) aan, dat het heilige der heiligen nog niet betreden mocht worden. Maar tegen deze opvatting pleit: 1) dat ta ayict niet is het heilige der heiligen op aarde, daarentegen past de uitdrukking voor het hemelsch heiligdom^ waar geen scheiding is tusschen heilige en heilige der heiligen; 2) dat het heilige der heiligen op aarde nooit door menschen betreden zou worden (fiijna)). Zie verder het in den tekst gegevene.

Sluiten