Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9:28

wat 10: i —18 volgt, is een slot van het geheele betoog. Het ovzcoq xal o XqiGxóq, herinnert aan 5 : 5. Daar begon de verklaring van het hoogepriesterlijke werk van Christus en werd in een soort inleiding aangewezen, dat al de trekken, die bij den aardschen priester behooren aanwezig te zijn, ook bij Christus voorkwamen. Thans eindigt de schrijver met op gelijke wijze Christus naast den mensch te stellen. Hij is waarlijk priester. Hij blijft onder al Zijn werk waarlijk mensch. Dit alles is van beteekenis met het oog op de heele bedoeling van den brief. Indien die is de Hebreen op te wekken hun slapheid te laten varen en Christus na te volgen in Zijn trouw, vgl. 12:2, dan was het van beteekenis, dat de lezers verstaan zouden, dat Christus waarlijk mensch bleef. Daarom kan het ons niet verwonderen, dat de brief er meer dan eens van spreekt. Reeds 2:17 wees hij op het waarlijk menschzijn van Christus en gaf aan, waarom dat noodig was. Op dezelfde plaats werd voor het eerst van het hoogepriesterlijke werk van Christus gesproken. Nu is de behandeling daarvan vrijwel ten einde en keert de gedachte van 2: 17 nog even terug. En 2: 17 was weer het slot van een stuk, dat aanwees, dat de heerlijkheid van Jezus ook echte menschelijke heerlijkheid was, die, waarvan Ps. 8 sprak. KaS-' öoov is niet volkomen gelijk aan het volgende ovvmq, het duidt evenals ons in zooverre meer een graad aan of een verhouding, het vergelijkt niet, maar zegt, wat onder alle omstandigheden geldt, en geeft daardoor tevens een reden aan. 'AnoxsiTai, het is weggelegd, vgl. 2 Tim. 4: 8, het is voor iemand bestemd, hij kan er niets aan doen. Wat dan allen menschen geldt is eenmaal sterven en daarna een oordeel *). Meer staat er niet en welk oordeel gemeend is, of het dadelijk na den dood valt of bij het laatste oordeel, hooren we niet. Dat alles is hier niet van belang. Hebr. wil alleen aanduiden, dat echt maar ook onafwendbaar menschelijk is eenmaal sterven en daarna geoordeeld worden.

28. Xqiörog krijgt hier het lidwoord, de Christus, Hij, Die als ambtsdrager (als priester) Zijn werk doet, is den menschen gelijk. Wanneer nu echter het sterven en het oordeel van Christus worden opgenoemd, dan worden die beide in verband met het voorafgaande gekarakteriseerd. Christus' sterven is offer met een bepaald doel en Christus' xqïoi^ is wederkomst met een bepaald doel, waardoor bij al het echt menschelijke de heerlijkheid van het priesterwerk uitkomt. Het (Lrcc$ jiQooevex&eig vindt in de vorige verzen voldoende verklaring, daar het met sterven op één lijn gesteld wordt, blijkt, dat niet alleen het ingaan in den hemel, ook het sterven

1) De enkele doodenopwekkingeD, waarvan de Schrift spreekt, htften den algemeenen regel niet op.

Sluiten