is toegevoegd aan je favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10: 1

veroordeelende werking heeft, hooren we hier niet (wel io : 29). Eig OmvriQiav zal met ö(f9-rioetai verbonden moeten worden. SotxtjQia is het geheel der verlossing, al de weldaden, die Christus verwerft, de eindverlossing ingesloten, vgl. 2:3; 5:9. Doel der verschijning is het brengen van de eindverlossing. Die komt voor hen, die Christus verwachten, die op Hem hopen en gelooven, dat Hij komen zal om hen te verlossen, vgl. 1 Kor. 1:7; Fil. 3 : 20; 1 Thess. 1 : 10.

23—28. Zoo heeft dan de schrijver gesproken over het offer van Christus en de kracht daarvan en hij is daarmede teruggekomen bij zijn uitgangspunt. De kringloop is gesloten. We hebben Christus gezien priester naar de orde van Melchizedek, en daarom juist in die orde ook het Aaronietische priesterschap volkomen vervullend en zoo aan de zijnen brengende eeuwige verlossing.

HOOFDSTUK X.

IO: 1 —18. Samenvatting en slot.

De vorige pericoop bracht de bespreking van het priesterschap van Christus ten einde, door te handelen over de algenoegzaamhaid van het eene offer, dat Hij bracht. Hoofdstuk 10 begint met zich daarbij aan te sluiten, grijpt dan echter dadelijk terug, naar hetgeen eerder in cap. 9 was behandeld, nl. door offer, priesterschap, tabernakel samen te nemen, stelt die dan tegenover het werk van Christus, dat echter slechts in het algemeen wordt gekarakteriseerd door een uitspraak van Ps. 40, stelt dan weer duidelijk den dienst van de Oudtestamentische priesters naast en tegenover dien van Christus, om eindelijk ook door te verwijzen, naar wat vroeger breed was behandeld, te laten zien, hoe alles vast ligt in de ó'iaO-r/xrj. Nieuwe gedachten worden niet ontwikkeld, wel worden verschillende vroeger besproken onderwerpen kort en krachtig weergegeven. Daardoor krijgt deze pericoop geheel het karakter van een samenvattend slot. Men kan dan nog een aantal onderdeelen onderscheiden. Vs. 1—4 stelt de ongenoegzaamheid der oude offers in het licht, vs 5—11 plaatst daartegenover de waarde van het offer van Christus, vs 11 —14 vergelijkt de beide priesterdiensten, vs 15—18 wijst op de óiaO-rixtj, die achter deze dingen ligt.

1. Vs. 1 begint positief en negatief het karakter van de wet te bepalen en dat in een zin met y<*Q. Dit yÜQ kan niet in verband gebracht met het onmiddellijk voorafgaande. Er ligt aan ten grondslag, dat de samenvatting van de vorige pericoop was, niet het Oudtestamentische offer, doch dat van Christus bracht de verzoening. Inderdaad is dit in cap. 9 be-