Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10: 19

drie gecoördineerde verba: jtQOGfQxcjf/e&a, xaxéxtofiev en xaravoójfiev. Dat het participium tx,ovxe$ allereerst met jiqooeQX(bfie&a is te verbinden, kan niet worden bestreden. 'PsQccvTio/iévoi en teXova/xtvoi kunnen, wat hun plaats betreft, zoowel bij jiqog ftjy/nuiOa als bij xaxix<*>fiev worden genomen. Het eerste is het meest waarschijnlijk: i) om de beteekenis der woorden; dat het naderen tot God niet mogelijk is voor onreinen, ligt niet slechts in den aard der zaak, doch is ook in het voorafgaande op verschillende wijzen ter sprake gekomen (in de uiteenzetting over het hoogepriesterlijke werk, zie b.v. 9:9, 12, 14, 15, 22, 26, 28), daarentegen is niet in te zien, waarom bij xaxéx^^sv tot tweemaal toe of, als men de scheiding bij xai zou willen maken, althans eenmaal van reiniging sprake moet zijn; 2) de opbouw van den zin; nadat in een participium i'xovxs^ het voorafgaande is samengevat en de objectieve grond van het toegaan is genoemd, wordt het eerste en het laatste verbum finitum gevolgd door enkele participia, die op den subjectieven toestand of het eigen handelen zien, het middelste nader bepaald door een zin met y«(>. Dat de schrijver hier aóeXtfoi inlascht, heeft een goeden grond, hij begint niet slechts een nieuw deel, maar bepaald ook een stuk, dat hun persoonlijk raakt en dat, als hij soms scherp is, toch staat in het teeken der bioederlijke liefde. Ovv hier wil al het vorige samenvatten: daar het is, als we besproken hebben en nu nog even wordt herinnerd. Daarbij gaat de schrijver over in den eersten persoon, vgl. 2:1; 4:1; 6:1, het loopt niet langs den schrijver heen, het raakt ook zijn hoogste belangen. IlccQQrjcia troffen we reeds 3:6 en 4: 16. In 3:6 was sprake van het xaxéxeiv der jiaQQrioia, het ging daar dus niet om iets, dat objectief buiten de lezers bestaat, maar om iets, dat ze subjectief bezaten, hun vrijmoedigheid. Niet anders was het 4 : 16, waar sprake was van het -tQooêQxsö&ai fiexa 7taQQijaiaq, een eigenschap, die in de lezers aanwezig moest zijn 1). In dien subjectieven zin kan het op onze plaats niet zijn gemeend, hier is bedoeld iets, dat objectief bestaat, op grond waarvan de lezers iets kunnen doen. Denzelfden objectieven zin heeft jiaQQrjoicc ook Ef. 3:12, vgl. Suicerus, s. v. Men zou nog kunnen beproeven iiaQQrjOia. meer subjectief te nemen als: de vrijmoedigheid, die op grond van het offer van Christus bestaat, ware het niet, dat, als de

J) In 4: 16 werd als het ware vooruitgegrepen op onze plaats. Daar werd gezegd, dat we een hoogepriester hebben, door wien we kunnen toegaan, thans is het hoogepriesterlijke werk in den breede behandeld, en volgt weer 7tQOBtgya>ue9a. Riggenbach wijst aan, dat Tic/Qprjaia wel meer in objectieven zin wordt gebruikt. Polyb., II, 42, 3 ; 38,6 heeft het van de vrijheid om te handelen en te spreken. Sir, 25 : 25 bestaat naast de lezing è^ovoiav de variant naqQT\6Lav. Ital. cod. d vertaalt Hebr. 10 : 19 libertatem (ad) introïtus sanctorum.

Sluiten