is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10: 20

vrijmoedigheid er is, voor een vermaning JiQooeQx<i>/MtO-a eigenlijk geen plaats meer was en dat het zeer zeker objectieve ieQta fiéyav met naQQijoiav was gecoördineerd. Ila^orfiiv. moet dus genomen in den zin van de gunstige gelegenheid, die bestaat. Dit itaQQriaia vat als in één jubelwoord saam al de voorrechten, die Christus bracht. Ze wordt nader bepaald door etg XVV eïaoöov xwv ayicjv, in welke uitdrukking ra ayia het hemelsche heiligdom aanduidt. Eïaoóog kan zijn de toegang of het toegaan, h. I. past alleen de laatste beteekenis. Scherp komt de tegenstelling uit met 9 : 8. Tijdens de oude bedeeling was in den dienst der schaduwen zelfs het heiligdom op aarde afgesloten, nu is het hemelsche open, wij allen zijn als hoogepriesters, die toegaan en zelfs zonder bloed. Want het voorrecht om toe te gaan ligt vast in (év) het bloed van Jezus (let op dezen naam, de bloedstorting geschiedde in de vernedering), dat eens voor altijd verzoening bracht, 9 : 13 en 14. Men behoeft niet te bestrijden, dat èv hier denzelfden zin heeft als 9 : 25. Want weliswaar gaan wij niet met het bloed van Christus in het heiligdom, maar ook 9: 25 geeft èv toch in de eerste plaats den grond aan, waarop toegaan mogelijk was en Christus ging als tiqóóqo/^io^ in, 6 : 20, d. w. z. al verschilt de relatie tot het bloed, Hij en wij gaan in op grond van dezelfde bloedstorting.

20. Wanneer siaodog beteekent de handeling van het toegaan, kan ijv niet van eïaoóoq genomen, men late het slaan op het heele begrip naQQrioia siq xqv sïaoóov, de genade om te kunnen toegaan, vgl. Ef. 3:12, dan kan oóóv zeer wel s'iaoóov opnemen. 'Evxaivi^siv, imvijden, onderstelt maken en zelf voor het eerst gebruiken, we hebben de gedachte van 6 : 20, jiQÓÓQOfioq (in welk verband trouwens ook van xaxanèxaa^ia sprake is). De voorstelling op onze plaats is dan ook zeer verwant aan die Joh. 14:6. 'H/iiv, voor alle Christenen. 'Oóóq staat praedicatief, als een versche en levende weg. Dat die weg 7CQÓa<paxo<; (eigenl. versch geslacht, misschien een toespeling op het offer, maar die eigenlijke beteekenis werd nauwelijks meer gevoeld, vgl. Mofïatt, a. 1.) zou heeten, alleen, omdat het werk van Christus eerst kort gleden volbracht werd, Rom. 16 : 25 en 26, is weinig waarschijnlijk, zeker zal ook bedoeld zijn: versch blijvend, welke beteekenis het Grieksche woord schijnt toe te laten (zie Bleek, a. 1.). Deze beteekenis van TtQÓotpaxog lijkt in elk geval eerder mogelijk dan die: nog onbetreden (B. Weiss). Züóa geeft te kennen, dat de weg (in tegenstelling met de ceremonien) leven blijft (part. praes.), er is een weg, waarvan actie uitgaat, die zelf degenen, die op hem gaan, verder brengt, (vgl. $d>v ó J.óyog, 4: 12; èlnlq 1 Petr. I : 3

en ons: een weg, die dood loopt); dit staat daarmede in verband, dat Christus, Die de naQQriöia eiq xijv sïaoóov, de