Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10:28

andere wijze zal ontvangen worden. Niet het oordeel is onzeker, maar de schrijver laat zich niet uit over de wijze, waarop het ontvangen zal worden. KQiaiq, eigenl. het oordeelen, h. 1. het veroordeelend vonnis, vgl. ons oordeel en 1 Thess. 2:5; Jak. 2:13. 'J'o^cqk is door enallage met txöoxv verbonden, het oordeel zelf is vreeselijk, de omzetting is wel geschied om meer gelijkheid met de volgende uitdrukking te krijgen. Daar was de schrijver gebonden, omdat hij citeerde. Want de nu volgende woorden doen zoozeer denken, aan hetgeen de LXX heeft Jes. 26: 11, (zij het ook, dat de uitdrukking TivQÖq daar zóó niet voorkomt, vgl. ook Ps. 79 : 5; Ezech. 36: 5; Ef. 1 : 18; 3 : 8), dat we wel moeten aannemen, dat de schrijver deze plaats voor den geest had. IIvQÖg een vuur, dat ijverzuchtig woedt en daarom de tegenstanders niet met rust laat, totdat ze verteerd zijn. Daarop hebben de zondaren te rekenen, dat zullen ze ontvangen. Het woord vjisvavzioi is aan Jes. 26: 11 ontleend en teekent degenen, die moedwillig zondigen, als tegenstanders Gods. Uit de woorden zelf treedt aan den dag, dat Hebr. in ons vers de eeuwige verdoemenis, hetonuitblusschelijk vuur op het oog heeft. Reeds bij vs 25 werd aangeteekend, dat de bedoeling van den schrijver toegelicht wordt door 3:12—4:13. Het oordeel komt niet pas bij de parousie, waarvan onze brief in anderen zin spreekt, 9 : 28, doch als de tijd der genade voorbij is. Reeds daaruit en vooral ook uit de plaats, die het citaat bij Jesaja heeft, blijkt, dat van een vernietiging der goddeloozen na den dood hier niets wordt geleerd.

28. Er volgt nu een redeneering a minori ad maius, die te sterker toespreekt, omdat onze brief telkens weer de heerlijkheid van de nieuwe bedeeling boven de oude heeft in het licht gesteld. Een dergelijk betoog 2:1 vlg. en 12:25 vlg. 'A&ezéo), van kracht berooven, buiten werking stellen, (vgl. 7:18; 9: 26 en het tegenovergestelde peficciovv, 2:3; pé()aiog, 2:2; 9 : 17). Dit buiten werking stellen is hier ook bedoeld van de moedwillige overtreding, het txovoioiq afiaQzdvsiv, 10 : 26, daarom juist kan het uitgangspunt zijn der redeneering, vgl. Num. 15 : 30. Merkwaardig is zit;, zoowel als het ontbreken der lidwoorden, waardoor de schrijver te kennen geeft, dat deze regel doorging, ongeacht, wie het deed en welk gebod het betrof; voor medelijden was bij een dergelijke opzettelijke zonde geen plaats. De pluralis oixxiQpiov, waarschijnlijk naar 'Exi, op, d. w. z., als er twee of drie zijn, die het getuigen, op het getuigenis van; fiaQzvq, de man, die er bij

deel kan onzeker zijn, wel de wijze, waarop het zal komen. Hoewel rig naar den aard van een enclitica gaarne achter het woord staat, waarbij het behoort, zoo staat het toch ook vaak daarvoor, vgl. Kühner-— Gerlh, Ansf. Gramm., II, I, 3e dr., bl. 665, Anm. 6.

Sluiten