Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat deze vnuQ^iq als fitvovaa tegenover het vergankelijke goed der aarde, waarvan ze waren beroofd, vgl. 12:27; 13 : 14; 1 Petr. 1:4; Matth. 6 : 20; 19:21 en 29. Deze verzen doen vragen, op welke feiten wordt gedoeld. In het N. T. zelf vinden we niets, waarop de beschrijving past. Men zou aan de vervolging van Stephanus kunnen denken. Deze lag zeker ver genoeg in het verleden om er op deze wijze over te spreken. Maar de menschen, die deze rampen hadden ondervonden, waren niet als de lezers van dezen brief, menschen van het tweede geslacht, vgl. 2 : 3. Van andere bepaalde vervolgingen wordt in het N. T. zoo goed als niet gesproken, die van 1 Thess. 2: 14, één door heidenen aan heidenchristenen aangedaan, kan niet dezelfde zijn als de hier beschrevene. Dat de verdrijving der Joden uit Rome onder Claudius, waarvan Hand. 18: 2 spreekt, is gemeend, mag niet worden aangenomen. Want zelfs al zou men op grond van Suet., Claud., 25 aannemen, dat met de Joden ook de Jodenchristenen uit Rome waren verdreven *), of nog verder gaan en oordeelen, dat strijd in de Jodengemeente over het Christendom de aanleiding was tot de maatregelen van Claudius, dan zouden nog twee bezwaren blijven: 1) dat een lijden, dat ook de Joden overkwam, niet gebruikt kon worden om de Hebreen te manen tot standvastigheid, 2) dat de teekening hier van ernstiger dingen spreekt dan van verbanning uit Rome (c. q. Italië) alleen. Wel kan men zeggen, wanneer de schrijver door <p<iixio&ivxeq aangeeft, dat hij bepaald denkt aan een lijden na de bekeering, dan zullen de geadresseerden reeds eerder bijzondere smarten hebben ondervonden. Dat eerdere lijden kan de vervolging onder Claudius zijn, den lezers mede aangedaan, toen ze nog Joden waren. Zoo dient dan wel gedacht aan vervolging uit een periode, die in het N. T. niet meer wordt beschreven, waardoor men al dadelijk in overeenstemming is met 2:3. In aanmerking komt de vervolging van Nero te Rome. Men zou geneigd zijn daarvoor steun te zoeken in het ^eaxQi^ófisvoi, dat doet denken aan Tac., Ann., XV, 44 *). Toch gaat dat niet. Ten eerste werden de daar bedoelde Christenen dood gemarteld, in de tweede plaats zegt Tacitus uitdrukkelijk, dat door het door Nero aangerichte schouwspel medelijden werd opgewekt (miseratio oriebatur). Daarmede is echter niet gezegd, dat de vervolging van Nero niet kan zijn

Zie H. Koch, recensie van Donini, Claudio e. i. Guidei d'Alessandria, Xheol. Lit. Zeit., 51, 6, 20 Mrt. 1926. J. Kroon, Maasbode, blijkens De Rotterdammer, 7 Juli 1925.

2) Daar heet het: pereuntibus addita ludibria, ut feranim tergis contecti lanialu canum interirent [aut crucibus affixi aut flammati], atque ubi defecisset dies, in usum noctumi luminis urerentur. Hortos suos ei spectaculo Nero obtulerat et circense ludicrum edebat, babitu aurigae permixtus plebi vel curriculo insistens.

Sluiten