is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10:38

in zooverre bij de komst van den Messias de ènayyeXia ten deel valt, 9 : 28 en ook 10 : 38. Mixqöv öaov öaov lezen we Jes. 26: 20. Daar staat het niet voor het naderen van het oordeel, zoodat men zou kunnen vragen, of deze toch meer voorkomende Grieksche uitdrukking wel aan Jes. 26 is ontleend; ook Luk. 5 : 3 wordt ze gevonden in codex D, terwijl andere getuigen óXiyov hebben. "Oaov öaov beteekent zeer weinig; öaov vervangt xi, vgl. § 199, 4 en 214. Staat er nu nog fiiXQÓv bij, dan wordt het geheel: een uiterst kleine tijd, n.1. duurt het dat, vgl. Joh. 14:9. In deze woorden wordt in het bijzonder de uitspraak van vs 25 bewezen. Nu wordt Hab. 2 : 3 aangehaald, vrij nauwkeurig naar de LXX, slechts staat ov i. p. v. ov firi, xQoviaei i. p. v. %(>oviari, fiov vóór i. p. v. na èx jciOTS(og (gelijk de beste codices der LXX hebben), terwijl de beide laatste zinsleden zijn omgezet. Dit is volkomen te verstaan, omdat de schrijver, aan hetgeen doorhem het laatste is geplaatst, eerst iets wilde vastknoopen, om dat te laten afloopen, over nietig zal hij breed handelen. Tevens blijkt nu duidelijk, dat niet tQ^ófisvog subject is van vjtoareikrizai. En eindelijk wordt een climax verkregen, de waarschuwing komt aan het slot. In de profetie is tQxófievoq, die komen zal, § 246, 4, zeker van God bedoeld, niet van het gezicht, gelijk wel gezegd wordt, want ÖQaoiq is vrouwelijk, wel ziet het in den Hebreeuwschen tekst op het gezicht, (zie de noot); onze brief heeft het lidwoord ö, dat in de LXX ontbreekt, ingevoegd en denkt waarschijnlijk aan Christus, Ps. 118:26; Matth. 11:2; 21:9. Geregeld worden in het N. T. profetieën, die het Oude van God geeft, op Christus, toegepast, in elk geval is de bedoeling, dat de groote oordeelsdag genaakt, vgl. hetgeen daarover opgemerkt is bij vs 25 1). 38. 'O dé, doch dan zal, d. w. z. voor den rechtvaardige zal het oordeel geen ramp zijn. Aixaioc, wordt verklaard door vs 36, het is hij, die den wil van God doet, Hab. i : 4, die dan ook Mijn, d. i. Gods rechtvaardige heet en als loon het eeuwig leven ontvangt, 12:9. Daar staat nu bij èx 7ti<JT€(oqr

*) Wij verklaren hier de profetie, gelijk ze in ons verband moet dienen. De kwestie, of Habakuk bedoelde, dat het gezicht spoedig komen zou, en of de LXX het verstond van een spoedig komen Gods, kan hier niet verder worden besproken. Trouwens voor onze plaats maakt dit geen verschil, daar Hebr. alleen wil wijzen op het feit, dat God het oordeel spoedig komen doet, wat de plaats in elk geval leert. Slechts zijdelings is de kwestie nog van belang voor de exegese van Hebr. Het gebruik, dat hier van den tekst gemaakt wordt, toont aan, dat God, wat Hij zegt te zullen doen, spoedig, dat is tevens zeker, doet. Daar gaat het om. Men mag daarom hier niet uit afleiden, dat de schrijver de parousie dichtbij achtte, want daar gaat het niet om. Het oordeel komt snel over den goddelooze, ook reeds bij zijn dood, vgl. De Verwachting der toekomst van Jezus Christus, bl. 125 vlg.