Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geloof heeft te verstaan, maar een omschiijving van de wijze, waarop niaxiq, in Hebr. is gebruikt. Het zou echter verkeerd zijn dat laatste alleen uit 11 : i af te leiden. Geheel afgedacht van de vraag, of 11 : i voldoet om de eischen te stellen aan een begripsbepaling, staat vast, dat onze brief telkens op het geloof terugkomt en dat eerst door op al die plaatsen te letten, de gedachte van den brief kan worden gegrepen. Blijkens het reeds gezegde staat het geloof als de wortel van trouw en standvastigheid tegenover het ongeloof. Ongeloof leidt tot afval, ontrouw; geloof brengt volharding, io: 36; 12 : 1. Jezus heeft het voorbeeld gegeven, 12:2, ziende op Hem zal het mogelijk zijn standvastig te blijven, niet te verslappen, 12:3. Het geloof is hier dus wel een bepaalde zijde, van wat wij thans zaligmakend geloof noemen, maar in onzen brief staat niet als bij Paulus op den voorgrond het door het geloof deel krijgen aan Christus, maar het geloof als drijvende kracht, die leidt tot goede werken. Ongeveer, als het ook in den brief van Jakobus voorkomt, Gerechtigheid in dit hoofdstuk doet denken aan het gebruik van dit woord in het Oude Testament en vooral ook in de Bergrede. Zooals vroeger op heiligmaking en volkomenheid werd aangedrongen, vgl. 3: 12 vlg.; 6 : 1 vlg., zoo is het ook hier en het geloof bekwaamt er toe. Het is dus het geloof, dat het deelgenootschap aan Christus onderstelt en dan verder werkt.

Zoo blijkt uit een en ander, dat onze brief geloof niet gebruikt in den zin van Paulus. Wel is het hier niet iets geheel anders, maar gelijk Jakobus en Paulus hun eigen woordgebruik hebben, zoo heeft het ook onze brief. Geloof is in Hebreen, de kracht om te volharden, het is de menschelijke daad, het vermogen om Gods wil te doen, ten einde aldus het beloofde goed te verkrijgen, 6: 15; 10:36. Daarmede wordt niet ontkend, dat God deze kracht in den mensch legt, integendeel juist in het naar voren brengen van het geloof komt reeds uit, dat de mensch het zelf niet kan, en ten overvloede wordt 12:7 vlg. duidelijk uitgesproken, dat het God is, Die in den weg van standvastigheid leidt, vgl. ook u : 40. En als 13 : 7 een opwekking om te gelooven is gegeven, volgt in vs 8 een wijzen op Christus, als op het eenige vaste fundament. Dat alles van God is, m. n. ook het doen van Zijn wil, waartoe 10: 36 had opgewekt, wordt 13 : 20 vlg. met zooveel woorden gezegd. Als Abraham zich in het geloof vasthoudt aan de belofte, steunt dat, op hetgeen God zelf hem heeft bekend gemaakt, hem gezworen, 6 : 13. Achter alles staat de onveranderlijkheid van Gods raad, 6: 17. Dat alle weldaden door Christus verworven zijn, stelt onze brief juist bijzonder duidelijk in het licht, 9:11 vlg. Zakelijk verschil met Paulus is er dus niet. Wel eenig verschil in het gebruik van het woord geloof. Paulus bezigt het woord, als hetgeen God in de harten

Sluiten