Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

legt, om deel te krijgen aan de vergeving der zonde, de gerechtigheid, bij Hebreen staat op den voorgrond de kracht om staande te blijven in den strijd tegen de zonde. Het een sluit het ander niet uit, het zijn twee zijden van dezelfde zaak. Wordt de vraag gedaan, of Hebr. 11 handelt over het zaligmakend geloof, dan moet daarop geantwoord ja, doch het beschouwt dat geloof van één bepaalde zijde, n.1. in zooverre het kracht geeft tot goede werken.

Men kan deze zaak ook nog van een andere zijde bezien. In het Oude Testament beteekent het met pON'H in verband

staande substantief H31QN vastheid, betrouwbaarheid. Op enkele

plaatsen heeft dit woord religieuze beteekenis, ziet het op de houding van den mensch tegenover God, n.1. Deut. 32 : 20 (vs 4 van hetzelfde hoofdstuk anders); 2 Kron. 19:9; Jer. 7 : 28 en Hab. 2 : 4. Vooral op de laatste plaats blijkt het de beteekenis te hebben van de standvastigheid, die de vrome heeft om door alle lijden heen aan God vast te houden. Onze brief citeert niet slechts 10:37, 38 de plaats van Hab., maar sluit ook in de beteekenis van niöTiq bij dien profeet aan, en gebruikt het als volhardend vertrouwen 1). Men kan zeggen, dat vrij algemeen ïtioviq in onzen brief aldus wordt opgevat 2), ook in Hebr. 11 : 1 gaat het niet om geloof in het algemeen, „het blijft tot het religieuze beperkt", het gaat om het vasthouden aan de beloften, het Woord Gods, om de kracht tot goede werken, m. n. tot het standvastig blijven. Gelooven is niet Christen worden, deel krijgen aan de weldaden, maar na aan Christus deel gekregen te hebben, 3:14, trouw blijven. Plaatsen als 4:6 (ajiei&eicc) en 6:12 zijn daarmede niet in strijd; op de eerste plaats gaat het om de voortdurende ongehoorzaamheid van Israël, waar tegenover aanhouden past, vgl. ojiovóaam/iev, vs 11 en ook op de tweede gaat het om volhouden blijkens ftaxQO&vfiri<Jac, vs 15. Het duidelijkst zien we misschien, dat xiOTiq deze beteekenis heeft, als het van Jezus heet, dat Hij als jtiOTSatq ÜQXijydq xai rsksLotrriq, vxéfxeivev, 12: 2.

Vs 1 begint met tOTiv óê, de bedoeling van deze woordorde is niet te zeggen, nu bestaat er (zulk) een geloof, want ze komt meer voor, als niets anders is bedoeld dan een omschrijving 3) en buitendien was in den brief reeds eerder van niaviq sprake. Wel valt op is de nadruk, maar dit is verklaarbaar, nu, nadat het geloof al is genoemd en daarmede is gewerkt, achteraf eerst nader uiteengezet wordt, wat het geloof dan is.

x) Zie H. Cremer, Bibl. Theol. Wörterb. Neutest. Gracitat, 9e dr., 1902, bl. 836 en 841.

2) Zie behalve het reeds genoemde artikel van Van Leeuwen, bl. 420; P. Feine, Theol. des N. X., 1912, bl. 655 vlg.; G. Milligan, Theol. Ep. Hebr., 1899, bl. 181 vlg.

3) Vgl. Sap. 7:1; Luk. 8:11; Joh. 21:25; 1 Joh. 1:5; 5:17.

Sluiten