is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12:4-5

het is de itfictgtia, die hindert bij den wedloop, vs I. De schrijver stelt ze dus scherp tegenover elkander, Jezus en de zondaren staan in geenerlei verband, vgl. 4: 15, dat moeten de lezers weten. Hun verslapping is zonde, dreigt te leiden tot afval, 3:12; maar komt het zoover, dan zijn ze Jezus kwijt. Doel van het overwegen is dan ook: niet moede worden in den wedloop. Het spreekt wel vanzelf, dat de zin met i'vcc niet met vitofie/uevtjxÓTcc, doch met üvai.oyiaaoO-e is te verbinden. Kdfivsiv raiq ipvxaig doet naar het middelpunt gaan, zegt waar de fout schuilt, als die er is; in de ipvxy moet de itioziq zijn, die leidt tot vjiofiovi]. 'ExXvó/uevoi staat daar nog bij, om den lezers te doen gevoelen, hoe ze tot moede worden kunnen komen. Vs. 5 en ook Gal. 6 : 9 wijzen uit, dat het beter is, txXvófievoi absoluut te nemen en raïg xpvxaïs te verbinden met xd/itjre. Vgl. nog Job 10:1. 'Exi.veod-cu onderstelt het niet werken, het alles los laten, laten glippen. Het gaat aan het moede worden vooraf en het partic. kan door: wanneer gij — wordt, worden omschreven. Eerst slap worden, dan moede in het centrum, dan ongeloovig, dan afvallig. Daartegenover wordt de volharding gesteld. Zoowel xdfty\re als txXvófievoi herinnert nog aan het beeld van den wedloop.

4. Deze gang der redeneering bepaalt, hoe vs 4 moet worden verstaan. Niet zelden heeft men in dit vers gelezen, dat de Hebreen er nog geen vervolging voor over zouden hebben gehad, en dat zulk een vervolging dreigde. Historisch leert 10: 32 vlg., dat er wel vervolging is geweest en heel den brief door krijgen we den indruk, dat het thans rustig is. 13:3 geeft geen andere gedachte, want niets wijst er op, dat daar uitsluitend gevangenen ter wille van het Christelijk geloof zijn gemeend. Er staat in ons vers niet, wat de Hebreen al of niet geleden hebben, maar wat ze nog niet hebben gedaan. En dat wordt uitgedrukt in voor ieder duidelijke beeldspraak. Vs 4 verklaart, dat in den wedloop nog niet het uiterste is verricht, dat tegen de zonde nog niet zóó gestreden is, als het moest en kon; of gedacht is aan de vuistvechters, («jtccj-ojvi^ófisvoi), die elkander ten bloede toe verwondden, blijve onbeslist. Zelfs al stond dit beeld den schrijver niet voor den geest, dan is de bedoeling toch duidelijk, het gaat om den felst mogelijken strijd. MéxQ'S aïfiaroq is het beeld, dat aanduidt : tot het uiterste, zoover als het kan en zoover moet de tegenstand gaan (avtixaTtattjvs). Ten bloede heeft Jezus gestreden, vs 3. ÜQÖg xijv ccfictQxiav verbinde men met avTctyojviUfievoi, in uw worsteling tegen de zonde; avzixaréöTrjzs staat dan absoluut, voor hetgeen met volharding moet worden gedaan 1).

5. Na het forsche vs 4 komt een teederder vs 5. Zacht ver-

]) Men lette op de allitteratie («) in vs 4.