Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13: 16-17

men. Zoo hebben de Christenen te offeren, hun dankbaarheid te betoonen. Ze hebben te volharden, standvastig te zijn in de 10:39. De dativus bij bfioXoyéu) is zeldzaam, wel

staat è^o/ioXoytofiat, prijzen met den dativus. Nu is één mogelijkheid, dat Hebr. ófioloysiv gebruikte als en naar t^ofioXoyeïo&ai, vgl. Ps. 53 (54): 8, een andere, dat è^o/ioZoyeio&cci vermeden is, omdat daarin meer uitsluitend het element prijzen ligt en de brief ook belijden wilde uitdrukken. Deze laatste onderstelling zal de beste zijn, omdat ze meer aansluit bij &voia aivéoecnq l). Offers voor de zonde zijn niet meer noodig, io: 14, het lofoffer houdt nimmer op, 12:28.

16. Vs 16. beweegt zich schijnbaar op geheel ander terrein, maar wat het verband is, wordt door het tweede deel van het vers aangegeven. De eerste helft brengt weer bij de vermaningen van vs 1 vlg., de tweede laat zien, dat het beoefenen van naastenliefde is het Gode lofoffers toebrengen. Jé spreekt dan ook van een soort tegenstelling, het lofoffer bestaat niet alleen in woorden, ook in daden. Mtj èjtiAavS-aveo&e, vgl. vs 1, er was blijkbaar gevaar. Evjioda, het weldoen in het algemeen, xoivwvia, het leven in het besef, dat men niet alleen op de wereld is, doch dat er ook anderen zijn, voor wier lot men heeft te zorgen. Totccvraiq yaQ is merkwaardig. De Hebreen konden meenen, dat God lofoffers begeerde van psalmen enz. Ze moeten leeren, dat Gode lof in dankbaarheid wordt toegebracht, in het beoefenen van naastenliefde, vgl. 12 : 14. EvaQSCTEiv ook 11:5 en 6. Het gaat om de levenshouding tegenover God en hoe die behoort te zijn. 'O 9-sói, met nadruk achteraan, het komt er niet op aan, wat menschen oordeelen; de gemeenschap moet ook niet in de eerste plaats ter wille van menschen worden geoefend, God eischt haar.

17. Verband tusschen vs 16 en 17 is er niet. Men zou hoogstens kunnen zeggen, dat na de houding tegenover den naaste in het algemeen, nu aan de orde komt de houding tegenover de ambtsdragers, de leidslieden of dat ook de verhouding tot de ambtsdragers tot het lofoffer behoorde te worden gebracht. De Hebreen hebben hun te gehoorzamen en voor hen uit den weg te gaan. Letten we op vs 7, dan is er grond voor het vermoeden, dat de gemeente tegenover haar ambtsdragers zich niet steeds op de rechte wijze gedroeg. 'Tf.iüv is in verband met ïtdvzccq, vs 24, merkwaardig, de

l) Philo, Legg. alleg., I, 26: fiaxpai» dg>fdTr]KSv tov

xal óy,oXoyeïv avtco. Blijkens bet verband is ójioXoyüv h. 1. vrijwel gelijk te stellen met i^OfioXoycla&ai. Vgl. voorts H. Cremer, Biblisch Theologisches Wörterbuch der Nt. Gracitat, uitgave van 1902, s. v. uiioloyioi. In elk geval is de hier voorkomende beteekenis zeldzaam, zie Moulton—Milligan, s. v.

Sluiten