is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

indruk maakt aan pas bekeerden te zijn geschreven, de overgang was te Jeruzalem geschied en lag al even in het verleden *). Er moet al eenigen tijd zending buiten Jeruzalem zijn geweest, we moeten zijn na de vervolging van Stefanus. Verschillende omstandigheden komen daarmede overeen. De brief is blijkbaar geschreven vóór het apostelconvent, de kwestie van Joden- en heidenchristenen bestaat nog niet. Van aanraking met de heidenen als b.v. i Petr. 2 : 12, of van heiden geweest zijn als 1 Petr. 4 : 3 vlg. is geen sprake. Wel zou men theoretisch, in abslracto kunnen aannemen, dat ook in later tijd een geschrift uitsluitend aan Jodenchristenen werd gericht, in concreto zou het echter onmogelijk zijn met het bestaan van heidenchristenen en het voorkomen van zulken bij en tusschen de Jodenchristenen geen rekening te houden, men denke aan den brief aan de Hebreen. In het geheel is de ontwikkeling nog aan het begin, Jakobus schrijft als Jezus predikt, er is zelfs nog niet een begin van het gebruiken van de termen in een min of meer vaste beteekenis (xioviq, ótxaiovv). Van sacramenten of organisatie hooren we niet, alleen van jiqso^vtsqoi, en dezen besturen of leeren niet, maar worden geroepen voor charismatische genezingen, 5:15, vgl. bl. 406, leeren doen nog allen, 3 : 1, vgl. 1 Kor. 14 : 26. Geheel anders weer 1 Petr. 5 : 1 vlg. Volgen we de chronologie van Dr. D. Plooy, De Chronologie van het Leven van Paulus, dan zullen we den brief hebben te stellen 43 of 44 n. Chr.

Nu zijn echter tegen deze opvatting allerlei bezwaren aangevoerd, eenerzijds om te betoogen, dat de brief in zoo vroege periode niet past, anderzijds om te bewijzen, dat hij veel of althans iets later moet worden geplaatst.

Viel de brief nog vóór het apostelconvent, dan moest hij een meer missioneerend karakter dragen en trachten aan te toonen, dat Jezus de Christus is. Wie zoo redeneert, vergeet, dat de brief niet aan Joden, maar aan Jodenchristenen is gericht en wel aan zulke, die ter wille van hun belijdenis reeds vervolging hadden te doorslaan. Aan hen te schrijven over wet of tempel, was geheel overbodig, de lezers dachten er over als de anderen. Veeleer is de inhoud van den brief juist, als we dat in een vroege periode zouden verwachten. Er is nog geen dwaalleer, die wordt bestreden; eenvoudig en plastisch wordt op reinheid van leven aangedrongen en dat in den vorm van geboden; uiteenzettingen over de beteekenis van het werk van Christus ontbreken De schrijver weet wel

Het lijkt ons onjuist om uit J ;k. 1 : 18 af te leiden, dat de lezers tot de eerste generatie behooren, maar dat er toch al heidenchristenen zijn. De uitspraak is zóó algemeen, dat ze zonder meer van alle Christenen in alle tijden gelden kan.

2) Zie verder § 5.