Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaat het over een ongerechtigheid tegenover buitenstaanden. Dat die van beteekenis is, blijkt daaruit, dat ze voorop staat. Daarom moet dan ook aangenomen, dat Jakobus hier een metterdaad voorkomend euvel bestraft. Hij gaat er van uit, dat de lezers niaxic, hebben en eveneens, dat die nioxio, is JIiotis xov xvqïov 'Irjaov Xqioxov xftq dofi?s. In 1:3 en 6 kwam Ttiaxiq voor als volhardend vertrouwen, hier blijkt, dat die Jiuixtq een object heeft, want xov xvqïov xxè is als genet, object, te nemen. Immers indien rov xvqïov genet, subject, was, vgl. b.v. Hebr. 12:2, dan zouden we niet zulk een lange uitdrukking verwachten, die min of meer aan een belijdenis doet denken, en aangeeft, dat, maar ook wat de lezers omtrent^ Jezus geloofden. De uitdrukking zelf kan op meer dan op één wijze worden verklaard. Sommigen verbinden °°S»fS m<* XQOGMxolrjfirpiaiq en vertalen het door meenino deze verbinding is af te wijzen, de twee woorden staan te ver van elkaar. Anderen nemen rjfë éó%rjq xijv itïoxiv: «doof 111 de heerlijkheid van c. q.^ heerlijk geloof in. Zulk een opvatting geeft geen goeden zin, do§//£ is immers overbodig, wie in den Heere Jezus Christus gelooft, gelooft in Zijn heerlijkheid - ook staan de woorden weer te ver van eikander af. Weer anderen voegen bijeen xov xvqïov xyg hetgeen de woordorde

met toelaat en het bezwaar heeft, dat xvQioq alleen reeds op Jezus ^ heerlijkheid wijst. Maar evenmin past xfjq óóêric goed bij Itjaov Xqioxov alleen. Vreemd, wijl tegen alles ingaande, wat we omtrent Christus lezen, is de vertaling • geloof in onzen Heere Jezus Christus, die heerlijkheid (schechina) « (plaatsen als Luk. 2 : 32; Ef. 1:17; 1 Petr. 4 : 14 dragen toch een ander karakter*). Het beste is wel xfiq te

nemen bij de geheele uitdrukking, dus: het geloof in onzen IjUere^ Jezus Christus, die (thans) heerlijkheid geniet, i Kor. 2 : 8. Het is niet onmogelijk, om na xvqio$, nu Jezus Christus tusschen in staat, nog eens xijg ódèrtq te plaatsen, wijst

dan op de heerlijkheid, den adeldom van het geloof, dat aan zulk een Heer zich vasthoudt. Een dergelijk geloof mag men niet neerhalen of bederven. Jó$a is niet in overeenstemming

tt- " D®en met naar 00£en z'en van aardschen rijkdom. -1'1 kan ziJ'n imperatief: hebt niet, of indicatief: hebt

ge soms, het laatste past niet, want de zonde bestaat blijkbaar. Zelfs past met: hebt ge soms, als ge personen aanziet etc. -bovendien beginnen verschillende pericopen met een imperatief: 1 ' 2' 3 • 1, 5-7- E%siv èv, h. 1. hebben tn de sfeer van, d. i. gepaard laten gaan met, zóó dat dat andere min of meer eerscht, het karakter bepaalt. "E%eiv itïoxiv, hoort bijeen,

vgl. Matth. 21 : 21; Mark 11: 2 2; Luk. 17:6; Joh. 2 : 14, 18. Men

moet dus niet naar eXsiv èv è.-tiyvüoei, Rom. i : 28 verklaren.

) Zie R. Seeberg, Der Ursprung der Christusglaubens, 1914, bl. 19.

Sluiten